Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 oktober 2016 in de zaken tussen
[eisers] , te [woonplaats] , eisers
het college van burgemeester en wethouders van Teylingen, verweerder
Procesverloop
.
Overwegingen
Bij besluit van 23 augustus 2016 heeft verweerder de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak.
Eisers hebben de rechtbank verzocht de verbeurde dwangsom vast te stellen en te bepalen dat verweerder de vergunning bekend dient te maken.
Ingevolge artikel 3.9, eerste lid, van de Wabo beslist het bevoegd gezag op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
Ingevolge het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb – met uitzondering van de artikelen 4:20b, derde lid, en 4:20f – van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning.
Na afloop van de beslistermijn bestaat geen mogelijkheid meer om te besluiten of verweerder al dan niet toepassing wenst te geven aan de bevoegdheid als bedoeld in artikel 2:12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo.
Beslissing
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- schorst bij wijze van voorlopige voorziening het primaire besluit tot en met zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaarschrift tegen dit besluit;
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig bekendmaken van de verlening van een omgevingsvergunning van rechtswege gegrond;
- stelt de hoogte van de door verweerder aan eisers verschuldigde dwangsom vast op € 1.260,-;
- draagt verweerder op om binnen twee weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen bekend te maken dat een omgevingsvergunning van rechtswege is verleend aan eisers;
- bepaalt dat verweerder aan eisers een dwangsom verbeurt voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, waarbij de hoogte van de dwangsom € 100,- per dag bedraagt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers, in beide zaken samen tot een bedrag van € 1.488,-;
- bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht ten bedrage van in beide zaken samen € 336,-aan hen dient te vergoeden.