ECLI:NL:RBDHA:2016:10943

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 september 2016
Publicatiedatum
12 september 2016
Zaaknummer
AWB 16 / 19056, AWB 16 / 19057
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • A.W. Ente
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 20 Richtlijn 2013/32/EUArt. 80 VWEUVerordening 604/2013 (Dublinverordening)
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinprocedure Duitsland

Eiser, een Georgische nationaliteit bezittende persoon, diende op 5 juli 2016 een asielaanvraag in Nederland in. Uit Eurodac bleek dat hij op 15 april 2016 al een asielaanvraag in Duitsland had ingediend. Naar aanleiding hiervan stuurde de Nederlandse staatssecretaris een terugnameverzoek aan Duitsland, dat werd geaccepteerd, waardoor de Nederlandse autoriteiten de asielaanvraag niet in behandeling namen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Eiser voerde aan dat de rechtsbijstand in Duitsland ontoereikend was en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer van toepassing kon zijn. De rechtbank oordeelde echter dat de Duitse asielprocedure binnen de EU-richtlijnen valt en dat er geen aannemelijke tekortkomingen waren aangetoond in de asielprocedure of opvangvoorzieningen in Duitsland. Ook de eigen verklaringen van eiser ondersteunden dit niet.

Daarnaast faalde het beroep van eiser op artikel 80 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de preambule van de Dublinverordening. De rechtbank stelde dat artikel 80 VWEU Pro geen directe werking heeft en dat er geen bewijs was voor het instorten van het Duitse asielstelsel.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummers: AWB 16/19056 (beroep) en AWB 16/19057 (verzoek)
V-nummer: [nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 7 september 2016 in de zaak tussen

[naam], eiser en verzoeker, hierna: eiser,

gemachtigde mr. F. Maleki,
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,
gemachtigde mr. A.S. Poelman.

Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiser heeft tevens een voorlopige voorziening verzocht ter voorkoming van overdracht hangende het beroep.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2016. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig J. Archvadze, tolk in de Georgische taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Na afloop van het onderzoek ter zitting doet de rechtbank, tevens voorzieningenrechter, onmiddellijk mondeling uitspraak. De rechtbank overweegt als volgt.
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Georgische nationaliteit. Op 5 juli 2016 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
3. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 15 april 2016 in Duitsland een asielaanvraag heeft ingediend. Verweerder heeft op 12 juli 2016 een terugnameverzoek aan de Duitse autoriteiten gestuurd, waarmee zij op 13 juli 2016 hebben ingestemd. Om die reden heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
4. Anders dan eiser heeft betoogd, maakt de wijze waarop in Duitsland de rechtsbijstand aan asielzoekers is georganiseerd naar het oordeel van de rechtbank niet dat ten aanzien van Duitsland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De Duitse asielprocedure valt op dit punt binnen de reikwijdte van artikel 20, eerste en derde lid, van de Richtlijn 2013/32/EU. Met een verwijzing naar de rapporten van AIDA van januari en november 2015 heeft eiser ook voor het overige niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen in Duitsland. Ook uit eisers eigen verklaringen over het verloop van zijn procedure in Duitsland blijkt niet dat er sprake is van dergelijke tekortkomingen. Gesteld noch gebleken is bovendien dat eiser zich bij voorkomende problemen niet kan wenden tot de Duitse autoriteiten.
5. Voorts is de rechtbank van oordeel dat eisers beroep op artikel 80 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en de punten 21 en 22 van de Preambule van de Verordening 604/2013 (Dublinverordening) faalt. Van belang daarbij acht de rechtbank dat artikel 80 van Pro het VWEU geen rechtstreekse werking heeft, aangezien de inhoud van dit artikel niet onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is maar slechts beleidskaders aan de lidstaten geeft. Bovendien heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat er in Duitsland sprake is van tekortkomingen in of het instorten van het asielstelsel in de zin van de punten 21 en 22 van de Preambule van de Dublinverordening.
6. Het beroep is ongegrond. Er bestaat geen aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak met nr. AWB 16/19056:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak met nr. AWB 16/19057:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, rechter en voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 september 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op het beroep, kan binnen een week na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Afschrift verzonden aan partijen op: