ECLI:NL:RBDHA:2016:10941
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.J. van den Bergh
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning in strijd met artikel 8 EVRM wegens gezinsleven met Nederlandse zoon
Eiseres, van Ghanese nationaliteit, verblijft sinds 2010 in Nederland en heeft een Nederlandse zoon van vier jaar met wie zij gezinsleven uitoefent. Haar verblijfsvergunning werd ingetrokken omdat de relatie met haar partner niet duurzaam werd geacht. De rechtbank oordeelt dat het geschil zich toespitst op de vraag of de intrekking in strijd is met artikel 8 EVRM Pro, gezien het gezinsleven met haar Nederlandse zoon.
Verweerder stelde dat het gezinsleven in Ghana kan worden voortgezet en dat van de vader kan worden verlangd dat hij moeder en zoon daar volgt. Eiseres verwees naar het arrest Udeh van het EHRM, waarin werd geoordeeld dat uitzetting in strijd is met artikel 8 EVRM Pro als van de ex-partner niet kan worden verlangd dat hij het land verlaat.
De rechtbank constateert dat de vader van de zoon Nederlandse nationaliteit heeft en dat er een omgangsregeling bestaat waarbij de vader regelmatig contact heeft met zijn zoon. De rechtbank acht de motivatie van verweerder onvoldoende om te eisen dat de vader met moeder en zoon naar Ghana verhuist. Daarom is het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 Awb Pro vernietigd en wordt verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de intrekking van de verblijfsvergunning en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van artikel 8 EVRM.