Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 september 2016 in de zaak tussen
[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder
Procesverloop
Eiser is verschenen en bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig D.J. Doets, tolk.
Overwegingen1.Eiser is geboren op [geboortedatum] 1973 en is staatloos Palestijn, afkomstig uit Libanon. Hij verblijft als vreemdeling in Nederland.
- in geval van opheffing van het orgaan of van de instelling die de bescherming of de bijstand verleent;
- in geval van de onmogelijkheid voor dat orgaan of die instelling om zijn opdracht te volbrengen;
- indien de staatloze Palestijnse vreemdeling niet langer de bescherming of bijstand kan inroepen om een reden die buiten zijn invloed ligt en onafhankelijk is van zijn wil en deze omstandigheid hem dwingt dat gebied te verlaten en hem op die manier belet de door de UNRWA verleende bescherming of bijstand te genieten.
- de staatloze Palestijnse vreemdeling bevond zich persoonlijk in een situatie van ernstige onveiligheid zodat voldaan is aan de voorwaarde inzake het ophouden van de bescherming;
- het is voor de UNRWA onmogelijk de staatloze Palestijnse vreemdeling in dat gebied levensomstandigheden te bieden die stroken met de opdracht waarmee de UNRWA belast is zodat voldaan is aan de voorwaarde inzake het ophouden van de bijstand.
- of de staatloze Palestijnse vreemdeling binnen het gebied waar de UNRWA mandaat heeft, gegronde vrees heeft voor vervolging of daden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000; en, voor zover dit het geval is,
- hij tegen de actor(en) van deze daden bescherming van de UNRWA kan inroepen of deze bescherming nog steeds krijgt.
De stelling van eiser, onder verwijzing naar verschillende rapporten over de UNWRA en de situatie in de Palestijnse vluchtelingenkampen in Libanon, dat de bescherming en bijstand door de UNRWA is beëindigd, omdat het voor de UNRWA onmogelijk is de staatloze Palestijnse vreemdeling in dat gebied levensomstandigheden te bieden die stroken met de opdracht waarmee de UNRWA belast is, zodat voldaan is aan de voorwaarde inzake het ophouden van de bijstand en eiser onder de werking van het Vluchtelingenverdrag valt, slaagt niet.
Beslissing
mr. J.R. van Veen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
6 september 2016.