ECLI:NL:RBDHA:2016:10034
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf wegens niet-tijdige indiening en verschoonbaarheidstoets
De zaak betreft een beroep tegen het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie om een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor gezinshereniging af te wijzen vanwege overschrijding van de wettelijke termijn van drie maanden.
De referent had een verblijfsvergunning asiel ontvangen op 26 maart 2015, waarna de aanvragen voor mvv nareis pas op 31 juli 2015 werden ingediend, ruim een maand te laat. Verweerder hanteert een beleid waarbij een overschrijding van de termijn alleen wordt verschoond bij overmacht, hetgeen inhoudt dat de referent alles gedaan moet hebben wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden.
De rechtbank oordeelt dat verweerder dit beleid consistent heeft toegepast en dat niet is gebleken dat de referent alles heeft gedaan om tijdig de aanvragen in te dienen. De hulp van Vluchtelingenwerk Nederland en de omstandigheden rondom vertalingen en communicatie rechtvaardigen geen verschoonbaarheid. Ook het beroep op schending van de hoorplicht en het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wegens niet-tijdige indiening is ongegrond verklaard.