Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2015 in de zaak tussen
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, te Den Haag, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
kanworden verstrekt. De rechtbank neemt daarom ondanks het ingestelde besluitmoratorium in het geval van Iraakse asielzoekers afkomstig uit de provincies Bagdad, Anbar, Ninewa, Salahedin, Ta'mim, Diyala en Babil in Irak in Irak procesbelang aan indien daarvan sprake is. De verwijzing van verweerder bij faxbericht van 6 juli 2015 naar de uitspraak van de Afdeling van 8 oktober 2003 (JV 2003/510) en de reden voor het instellen van het besluitmoratorium, zoals weergegeven in de brief van verweerder van 7 oktober 2014 (Kamerstuk 19 637, nr. 1900), te weten: dat uit het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over de veiligheidssituatie in Irak van 19 september 2014 sterk naar voren komt dat de situatie in deze delen van Irak volatiel en onoverzichtelijk is en het onduidelijk is welk gebied precies in de provincies (Bagdad, Anbar, Ninewa, Salaheddin, Ta’mim (Kirkuk), Diyala en Babil) onder controle staat van IS, doen daaraan niet af.
arguable claim) op artikel 3 EVRM Pro moet er een full, comprehensive and ex nunc beoordeling van artikel 3 EVRM Pro plaatsvinden, zoals de vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), onder andere in de zaak Salah Sheekh tegen Nederland van 11 januari 2007 (ECLI:NL:XX:2007:AZ5971, JV 2007/30), voorschrijft.
further special distinguishing features) aannemelijk te maken om een succesvol beroep op deze verdragsbepaling te kunnen doen. Voorts blijkt uit rechtsoverweging 67 van de uitspraak van het EHRM in de zaak Sultani tegen Frankrijk van 20 september 2007 (ECLI:NL:XX:2007:BB6272, JV 2007/462) dat artikel 3 EVRM Pro aan verwijdering in de weg kan staan: (a) als er klager persoonlijk betreffende omstandigheden zijn, of (b) als hij behoort tot een groep die in het bijzonder bedreigd wordt. In rechtsoverwegingen 131 en 132 van de uitspraak van het EHRM in de zaak Saadi tegen Italië van 28 februari 2008 (ECLI:NL:XX:2008:BC8132, JV 2008/131) is overwogen dat het EHRM (vergelijk de zaak Vilvarajah tegen het Verenigd Koninkrijk, van 30 oktober 1991, RV 1991/19) de enkele mogelijkheid (
mere possibility) van schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer in het land van herkomst onvoldoende is, maar dat wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat een vreemdeling lid is van een groep, die als geheel op systematische wijze wordt blootgesteld aan handelingen in strijd met artikel 3 EVRM Pro, een mogelijke schending van het refoulementverbod in het geding is. Ook in rechtsoverweging 116 van het arrest van het EHRM in de zaak N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk van 17 juli 2008 (ECLI:NL:XX:2008:BF0248, JV 2008/329), zijn voormelde kenmerken niet vereist, indien de desbetreffende vreemdeling aannemelijk maakt dat hij deel uitmaakt van een groep die systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen. Hiermee stelt het EHRM de mogelijkheid open dat sprake kan zijn van een reëel en persoonlijk risico in de zin van artikel 3 EVRM Pro, enkel gebaseerd op lidmaatschap van een groep die op systematische wijze wordt onderworpen aan handelingen verboden door artikel 3 EVRM Pro.
- de autoriteiten van het land van herkomst;
- door politieke of militante groeperingen die de feitelijke macht uitoefenen in het land van herkomst of een deel daarvan;
- door groeperingen waartegen de overheid niet in staat of niet willens is bescherming te bieden.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
- bepaalt dat verweerder, binnen zes weken na verzending van deze uitspraak, een nieuw besluit op de asielaanvraag van eiser dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 490,00.