Verdachte werd beschuldigd van oplichting bij de verkoop van een woning, diefstal van geldbedragen via valse sleutels, medeplichtigheid aan diefstal, verduistering en witwassen van geld en woningoverwaarde. De rechtbank oordeelde dat niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan deze feiten.
De rechtbank onderzocht de financiële situatie van het slachtoffer en concludeerde dat de verkoop van de woning niet noodzakelijkerwijs onder de marktwaarde was, mede door het ontbreken van eenduidige marktwaardebepalingen en het beginsel van contractsvrijheid. De geestelijke gesteldheid van het slachtoffer was wisselend, maar er was geen bewijs dat hij niet in staat was zijn wil te bepalen tijdens de verkoop.
Met betrekking tot de overboekingen van geldbedragen kon niet worden uitgesloten dat er mondelinge afspraken waren, waardoor niet met redelijke twijfel kon worden vastgesteld dat verdachte zich de bedragen wederrechtelijk had toegeëigend. Omdat de feiten waarop het witwassen was gebaseerd niet bewezen werden geacht, werd verdachte ook daarvan vrijgesproken.
De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding wegens de vrijspraak. Conservatoir beslag kon niet in deze strafzaak worden opgeheven. De rechtbank sprak verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten.