ECLI:NL:RBDHA:2015:8399

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2015
Publicatiedatum
20 juli 2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 9802
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2a Wet op de omzetbelasting 1968Art. 4 Wet op de omzetbelasting 1968Art. 7 Wet op de omzetbelasting 1968Art. 67c Algemene wet inzake rijksbelastingenTabel I, post a. 29 Wet op de omzetbelasting 1968
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naheffingsaanslag omzetbelasting en boete terecht opgelegd aan ontwerper tatoeages

Eiser, een ontwerper en tatoeëerder, kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over het tijdvak april tot en met december 2013, inclusief een boete wegens te weinig betaalde omzetbelasting. Hij voerde aan dat zijn ontwerpen unieke kunstvoorwerpen zijn die onder het verlaagde btw-tarief vallen en dat de boete onterecht was omdat hem geen opzet te verwijten viel.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij zich voornamelijk bezighield met het ontwerpen van unieke tatoeages en tekeningen die onder het verlaagde tarief vallen. Tevens werd vastgesteld dat het aanbrengen van tatoeages op de huid niet gelijkgesteld kan worden aan het leveren van kunstvoorwerpen. De naheffingsaanslag en de boete werden daarom terecht opgelegd.

De rechtbank wees erop dat voor het opleggen van de boete geen opzet vereist is en dat eiser geen pleitbaar standpunt had aangevoerd. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de naheffingsaanslag en boete omzetbelasting wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 14/9802

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2015 in de zaak tussen

[eiser] wonende te [plaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

[P] , verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 1 april 2013 tot en met 31 december 2013 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd naar een belastingbedrag van € 2.085 (de naheffingsaanslag), alsmede bij beschikking een boete van € 208.
Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2015 te Den Haag.
Namens eiser is zijn gemachtigde verschenen. Namens verweerder zijn verschenen
[gemachtigden] .

Overwegingen

Feiten
1. Eiser is ontwerper/tatoeëerder.
2. Eiser is ondernemer in de zin van artikel 7 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). In zijn aangiften omzetbelasting heeft hij tot en met het eerste kwartaal 2013 zijn omzet tegen het algemene btw-tarief verantwoord. Vanaf het tweede kwartaal 2013 splitst eiser de verschuldigde omzetbelasting in die zin dat hij over de verkoop van door hem vervaardigde ontwerpen (voor tatoeages) het verlaagde btw-tarief in zijn aangifte verantwoordt.
3. Met dagtekening 25 februari 2014 is onderhavige naheffingsaanslag aan eiser opgelegd.
4. Bij uitspraak op bezwaar van 10 oktober 2014 is het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard.

Geschil5. In geschil is of de levering van de door eiser gemaakte ontwerpen/tekeningen onder het verlaagde btw-tarief vallen van Tabel I, post a. 29 behorende bij de Wet OB.

6. Eiser stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. De door hem gemaakte tekeningen/ontwerpen zijn uniek en dienen te worden aangemerkt als kunstvoorwerpen welke belast zijn tegen het verlaagde btw-tarief van 6%. Met betrekking tot de boetebeschikking stelt eiser zich op het standpunt dat deze ten onrechte is opgelegd aangezien hem geen opzet te verwijten valt en hij naar eer en geweten zijn aangiften omzetbelasting heeft ingediend.
7. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag en verzuimboete.
8. Verweerder stelt dat de naheffingsaanslag en de verzuimboete terecht en op het juiste bedrag zijn vastgesteld.
9. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
10. Artikel 2a, eerste lid, van de Wet OB luidt – voor zover van belang – als volgt:
“1. In deze wet en in de daarop gebaseerde bepalingen wordt verstaan onder:
(…)
m. kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten: de bij ministriële regeling aan te wijzen goederen;
(…)”
11. Tabel I, onderdeel a, post 29 behorende bij de Wet OB luidt – voor zover van belang – als volgt:
“(…)
b. kunstvoorwerpen voor zover deze worden geleverd door:
1o de maker of diens rechtverkrijgende onder algemene titel; of
2o een ondernemer, andere dan een wederverkoper, die ingevolge artikel 15, eerste lid, de belasting ter zake van zijn verkrijging volledig in aftrek brengt;”
12. Artikel 4, tweede lid, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (de Uitvoeringsbeschikking) bepaalt dat als kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten als bedoeld in artikel 2a, eerste lid, onderdeel m, van de Wet OB de in bijlage J bedoelde goederen worden aangewezen.
13. Bijlage J van de Uitvoeringsbeschikking bepaalt – voor zover van belang – het volgende:
“1. kunstvoorwerpen:
  • a. schilderijen, collages en dergelijke decoratieve platen, schilderijen en tekeningen geheel van de hand van de kunstenaar, met uitzondering van bouwtekeningen en andere tekeningen voor industriële, commerciële, topografische en dergelijke doeleinden en van met de hand versierde voorwerpen alsmede van beschilderd doek voor theatercoulissen, voor achtergronden van studio's of voor dergelijk gebruik (GN-code 9701);
  • b. originele gravures, originele etsen en originele litho's, dat wil zeggen een of meer door de kunstenaar geheel met de hand vervaardigde platen die in een beperkte oplage rechtstreeks in het zwart of in kleuren zijn afgedrukt, ongeacht het materiaal waarop dit afdrukken is geschied en ongeacht de gevolgde techniek, met uitzondering van de mechanische en van de fotomechanische reproduktietechniek (GN-code 9702 00 00);
(…)”.
14. Eiser stelt dat de levering van de door hem vervaardigde tekeningen/ontwerpen gelijk dient te worden gesteld aan de levering van een kunstvoorwerp in de zin van Tabel I, onderdeel a, post 29 behorende bij de Wet OB.
15. Eiser heeft tot aan de zitting betoogd dat het aanbrengen van een door hem ontworpen, unieke tatoeage, aangebracht op de huid, ook als kunstvoorwerp aangemerkt moet worden. Ter zitting heeft hij dit standpunt ingetrokken. Tussen partijen is thans niet langer niet in geschil dat het aanbrengen van een tatoeage op de huid niet gelijk kan worden gesteld aan het vervaardigen van een kunstvoorwerp en dat voor het ontwerpen en vervolgens aanbrengen van een tatoeage het algemene btw-tarief in rekening dient te worden gebracht.
16. Verder heeft eiser eerst ter zitting gesteld dat een groot deel van zijn omzet bestaat uit het ontwerpen van unieke tatoeages, die ook door andere tatoeëerders worden aangebracht, en tekeningen die door zijn klanten thuis aan de muur worden gehangen. De rechtbank is van oordeel dat eiser met deze enkele blote stelling onvoldoende aannemelijk maakt dat hij zich in de periode vanaf het tweede kwartaal van 2013 voornamelijk heeft toegelegd op het ontwerpen van unieke tatoeages en tekeningen waarvoor het verlaagde btw-tarief overeenkomstig Tabel I, post a. 29 behorende bij de Wet OB van toepassing is. Ook met de door eiser overgelegde stukken maakt hij niet aannemelijk dat vanaf het tweede kwartaal van 2013 zijn werkzaamheden voor het overgrote deel, zoals verantwoord in de aangiften, bestonden uit met het lage tarief belaste prestaties.
17. De rechtbank is, gelet op het overwogene onder 16, van oordeel dat verweerder de naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd.
Verzuimboete
18. Op grond van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) in samenhang met het bepaalde in paragraaf 24 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst is aan eiser een verzuimboete van 10% van de verschuldigde belasting opgelegd omdat op aangiften te weinig omzetbelasting is betaald.
19. Het opleggen van een verzuimboete blijft achterwege indien sprake is van hetzij afwezigheid van alle schuld (avas) hetzij van een pleitbaar standpunt. Eiser heeft gesteld dat hem geen opzet te verwijten valt en hij dan ook naar eer en geweten zijn aangiften heeft ingediend. Voor het opleggen van een boete in de zin van artikel 67c van de Awr is geen opzet vereist. Verder is gesteld noch gebleken dat sprake is van avas. Evenmin heeft eiser grieven gesteld op grond waarvan de rechtbank kan concluderen dat sprake is van een pleitbaar standpunt. De verzuimboete is derhalve terecht aan eiser opgelegd en de rechtbank acht deze boete ook overigens passend en geboden.
20. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, voorzitter, en mr. T. van Rij en
mr. A.J. van Doesum, leden, in aanwezigheid van mr. B. van Eeuwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2015.
griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,
2500 EA Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.