ECLI:NL:RBDHA:2015:8213
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.W.S. de Groot
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting binnen redelijke termijn
Eiser, van Somalische nationaliteit, werd op 20 april 2015 in vreemdelingenbewaring gesteld. Hij stelde beroep in tegen de voortzetting van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. Verweerder voerde aan dat op 1 mei 2015 overleg had plaatsgevonden met de directeur-generaal van de Somalische immigratiedienst en dat er zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn.
De rechtbank stelde vast dat er geen concrete voortgangsgegevens waren over dit overleg en dat verweerder geen reactie van de Somalische autoriteiten had ontvangen. Ook het onderhandelingsproces en de verzending van documenten boden onvoldoende aanknopingspunten dat binnen redelijke termijn gedwongen uitzetting zou plaatsvinden.
Daarom oordeelde de rechtbank dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was en heeft zij deze met ingang van het instellen van het beroep opgeheven. Daarnaast werd aan eiser een schadevergoeding van €880 toegekend voor het verblijf in vreemdelingenbewaring en werden de proceskosten aan eiser toegewezen.
Uitkomst: De rechtbank heft de vreemdelingenbewaring op wegens ontbreken van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn en kent schadevergoeding toe.