Eiser maakte bezwaar tegen de definitieve huurtoeslag 2011 die was vastgesteld op basis van een ambtshalve aanslag met een hoog verzamelinkomen van €50.000. Na bezwaar stelde de inspecteur het verzamelinkomen bij uitspraak op bezwaar vast op €16.321, waarop verweerder de huurtoeslag herzag en verhoogde.
Eiser stelde dat verweerder onrechtmatig had gehandeld door aanvankelijk een te hoog inkomen te hanteren en vorderde een proceskostenvergoeding. De rechtbank oordeelde dat de huurtoeslag bij de beschikking van 28 maart 2014 conform de wettelijke bepalingen juist was vastgesteld, omdat deze was gebaseerd op het toen geldende inkomensgegeven.
De rechtbank wees het beroep af omdat de herziening van de huurtoeslag op grond van het gewijzigde inkomensgegeven correct was en er geen aanleiding was voor een proceskostenvergoeding. Het beroep werd ongegrond verklaard.