Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 3 juli 2015 in de zaak tussen
[eiseres] , gevestigd te [plaats] , eiseres,
Procesverloop
€ 2.490 belastingrente in rekening gebracht (de beschikkingen).
[namen] .
SGR 14/7852, SGR 14/7853, SGR 14/7995, SGR 14/7855, SGR 14/7856, SGR 14/7857 en SGR 15/3035. Al hetgeen in die zaken is aangevoerd en overgelegd wordt ook geacht te zijn aangevoerd en overgelegd in deze zaak.
Overwegingen
31 december 2010 overgelegd van de aankoop van een Porsche 911 (997) Sport Classic Coupe 3.8 waarop een bedrag van € 30.305 aan omzetbelasting staat vermeld. Vervolgens is overeenkomstig de suppletieaangifte 2010 een naheffingsaanslag opgelegd.
€ 398
€ 2.490
Geschil7. In geschil is of de naheffingsaanslag en de boete terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd en of de belastingrente terecht en naar het juist bedrag in rekening is gebracht.
- veroordeling van verweerder wegens het overschrijden van de fatsoensnormen
- genoegdoening voor niet gepaste uitlatingen aan het adres van Z, het financieel en
- het als niet verzonden beschouwen van de aankondiging van het boekenonderzoek;
- het geven van volledige inzage in het dossier.
[BV] ingediende aangifte over het vierde kwartaal 2012 en de weigering van verweerder om de bij die aangifte gevraagde teruggaaf te verlenen. In de onderhavige zaak gaat het echter om een naheffingsaanslag die betrekking heeft op een andere belastingplichtige en een ander tijdvak. De rechtmatigheid en de juistheid van de naheffingsaanslag en de beschikkingen dienen zelfstandig te worden beoordeeld op de grondslag van hetgeen door partijen met betrekking tot die belastingplichtige en dat tijdvak is aangevoerd. Adequate uitvoering van de belastingwetgeving brengt mee dat de belastinginspecteur bevoegd is nadere informatie op te vragen voor zover die voor de belastingheffing van belang kan zijn en een boekenonderzoek of een ander onderzoek in te stellen. Dat de vragen van verweerder aanvankelijk betrekking hadden op de aangifte over het vierde kwartaal 2012 van [BV] betekent dus niet dat verweerder niet bevoegd was om ook de aangiften van eiseres over het onderhavige naheffingstijdvak aan een onderzoek te onderwerpen. De beroepsgronden van eiseres dat verweerder zijn bevoegdheid zou hebben misbruikt en ten onrechte een boekenonderzoek wilde instellen, stuiten hierop af. Hetgeen eiseres verder heeft aangevoerd over de wijze van afhandeling van de aangifte over het vierde kwartaal 2012 van [BV] kan evenmin leiden tot gegrondverklaring van het onderhavige beroep. Dit kan slechts aan de orde worden gesteld in de procedure van [BV] met betrekking tot dat aangiftetijdvak en behoeft hier dan ook geen verdere beoordeling. Eiseres heeft haar stelling dat zij door de handelwijze van verweerder ernstig in haar procesbelang is geschaad niet geconcretiseerd. Evenmin heeft zij aannemelijk gemaakt dat zij door die handelwijze onredelijk hoge kosten heeft moeten maken.
13 oktober 2010 de factuur van 30 december 2010 heeft beoordeeld, heeft eiseres, tegenover de gemotiveerde weerspreking door verweerder, niet aannemelijk gemaakt. Temeer niet nu het in de brief van 13 oktober 2010 vermelde chassisnummer niet overeenstemt met het chassisnummer op de factuur.
€ 367,50 te worden toegerekend.
Beslissing
- verklaart het beroep voor zover dit is gericht tegen de boetebeschikking gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover betrekking hebbend op de boetebeschikking;
- vernietigt de boetebeschikking en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar;
- verklaart het beroep, voor zover het is gericht tegen de naheffingsaanslag en de rentebeschikking ongegrond;
- verklaart zich voor wat betreft de overige eisen onbevoegd;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 367,50;
- draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 328 aan haar te vergoeden.
mr. A.J. van Doesum, leden, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2015.