ECLI:NL:RBDHA:2015:6958
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot DNA-onderzoek voor vaststelling vaderschap minderjarige
De vrouw vordert in kort geding dat de man wordt bevolen mee te werken aan een DNA-onderzoek ter vaststelling van het vaderschap van hun minderjarige kind, dat inmiddels tien jaar oud is en niet is erkend. De vrouw stelt zeker te zijn dat de man de vader is, maar kan dit niet met feiten of omstandigheden onderbouwen.
De man weigert medewerking aan het DNA-onderzoek omdat hij geen inbreuk op zijn lichamelijke integriteit wil dulden en betwist het vaderschap gemotiveerd. Hij stelt dat hij sinds december 2003 geen contact meer met de vrouw heeft gehad en daarom niet de verwekker kan zijn. De vrouw kan niet aantonen dat er in het conceptietijdvak seksuele gemeenschap tussen partijen heeft plaatsgevonden.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de man de biologische vader kan zijn. Gezien het ontbreken van concrete aanwijzingen wordt de vordering afgewezen. De proceskosten worden ieder voor eigen rekening gelaten, met compensatie vanwege de affectieve relatie tussen partijen.
Uitkomst: De vordering tot DNA-onderzoek ter vaststelling van het vaderschap wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid.