Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser],
de minister van Buitenlandse Zaken,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om toekenning van een schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Ghanese nationaliteit, verzocht om een visum kort verblijf voor verblijf bij een referent. Verweerder, de minister van Buitenlandse Zaken, wees dit verzoek bij besluit van 24 september 2014 af. Het bezwaar van eiser werd bij besluit van 27 januari 2015 kennelijk ongegrond verklaard. Eiser stelde dat het besluit onzorgvuldig tot stand was gekomen en dat de hoorplicht in de bezwaarfase was geschonden.
De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit niet onzorgvuldig was voorbereid. Eventuele onvolledigheden in het feitenonderzoek tijdens de primaire besluitvorming waren in de bezwaarprocedure hersteld. Er was geen sprake van onjuiste of onvolledige gegevens waarop het besluit was gebaseerd. Ook ontbraken inhoudelijke gronden tegen de motieven voor de weigering.
Ten aanzien van de hoorplicht stelde eiser dat verweerder onterecht van het horen had afgezien tijdens de bezwaarprocedure. De rechtbank stelde dat verweerder op grond van artikel 7:3, onder b, Awb, mocht afzien van het horen omdat uit het bezwaarschrift en de primaire beslissing duidelijk bleek dat het bezwaar ongegrond was. Eiser had onvoldoende aanvullende stukken overgelegd om twijfel over de uitkomst weg te nemen.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er was ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter H. Brouwer op 3 juni 2015.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het visum kort verblijf is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.