Uitspraak
[A],
Rechtbank Den Haag
Eiser wordt door Israël gezocht wegens medeplegen van drugshandel en de uitlevering is door de rechtbank Amsterdam toelaatbaar verklaard en door de minister toegestaan. Eiser betoogt dat uitlevering onrechtmatig is omdat de belangen van zijn jong minderjarige zoon niet zijn meegewogen, wat in strijd zou zijn met artikel 3 IVRK Pro.
De rechtbank overweegt dat de uitleveringsverplichting een toelaatbare inbreuk vormt op het recht op gezinsleven en het recht van het kind op contact met zijn ouders. De minister hoeft deze belangen niet expliciet te betrekken, zeker niet als eiser deze niet in de procedure heeft ingebracht. De verklaring van een ontwikkelingspedagoge over de negatieve gevolgen voor het kind wordt erkend, maar vormt geen zwaarwegende omstandigheid die uitlevering verhindert.
De rechtbank stelt vast dat de moeder van het kind adequaat voor het kind zorgt en dat financiële en verblijfsrechtelijke beperkingen van de moeder en kind om Israël te bezoeken geen ontoelaatbare inbreuk opleveren. De belangen van de staat bij uitlevering en vervolging wegen zwaarder. De vordering van eiser wordt afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verbod op uitlevering af en veroordeelt eiser in de proceskosten.