ECLI:NL:RBDHA:2015:5204
Rechtbank Den Haag
- Bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beëindiging verblijfsrecht gemeenschapsonderdaan wegens ontbreken reële kans op werk en onredelijke last publieke middelen
Eiseres, een Duitse gemeenschapsonderdaan, had haar verblijfsrecht in Nederland beëindigd gekregen omdat zij niet voldeed aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf als economisch actieve of niet-actieve EU-onderdaan. Zij had onvoldoende concreet gemaakt dat zij ten tijde van het bestreden besluit een reële kans op werk had. Hoewel zij in februari 2015 werk vond, was dit na het besluit en derhalve niet relevant voor de ex tunc toetsing.
Eiseres ontving sinds oktober 2013 een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand, waardoor verweerder oordeelde dat zij een onredelijke last vormde voor de publieke middelen. Haar persoonlijke omstandigheden, waaronder de zorg voor haar kind en ex-partner met een dwarslaesie, boden volgens de rechtbank geen grond om af te zien van verblijfsbeëindiging.
De rechtbank stelde vast dat eiseres tussen 2008 en 2012 in Duitsland verbleef en in die periode geen werk in Nederland had gezocht. Haar eerdere arbeidsverleden werd niet meegewogen omdat zij toen niet in Nederland verbleef. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro werd verworpen omdat het familie- en gezinsleven grotendeels in Duitsland was opgebouwd en niet op zodanige wijze in Nederland dat het verblijf rechtvaardigde.
De rechtbank concludeerde dat het belang van de Nederlandse staat bij handhaving van het besluit prevaleert boven het belang van eiseres en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de beëindiging van haar verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan wordt ongegrond verklaard.