ECLI:NL:RBDHA:2015:4559
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak moord en wederrechtelijke vrijheidsberoving, veroordeling voor cocaïnebezit
Op 3 september 2014 vond een schietincident plaats te Leidschendam waarbij het slachtoffer in de rug werd geschoten en een dag later overleed. De rechtbank Den Haag sprak de 23-jarige verdachte vrij van moord of doodslag omdat onvoldoende bewijs bestond dat hij het schot had gelost of als medepleger had gehandeld. Ook werd hij vrijgesproken van de wederrechtelijke vrijheidsberoving van het slachtoffer, ondanks aanwijzingen en verklaringen van het slachtoffer zelf, omdat niet kon worden vastgesteld dat en hoe de vrijheidsberoving had plaatsgevonden.
De rechtbank nam het bezit van 16,8 gram cocaïne door de verdachte in de periode van 3 tot 5 september 2014 wel wettig en overtuigend bewezen. De verdachte verklaarde handelaar te zijn en zijn woning als opslag te gebruiken. Gelet op de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van verdachte legde de rechtbank een gevangenisstraf van één maand op, met aftrek van de tijd in voorlopige hechtenis.
De vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen werden afgewezen omdat verdachte werd vrijgesproken van de feiten waarop de vorderingen betrekking hadden. De rechtbank wees de gevangenneming af omdat de opgelegde straf niet hoger was dan de reeds doorgebrachte voorlopige hechtenis. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Den Haag op 23 april 2015.
Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van moord en wederrechtelijke vrijheidsberoving, veroordeeld tot één maand gevangenisstraf voor bezit van cocaïne.