ECLI:NL:RBDHA:2015:3808

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 april 2015
Publicatiedatum
3 april 2015
Zaaknummer
SGR 14-9810
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Experimentenwet BI-zonesArt. 2:5 AwbArt. 4 Verordening BI-zoneArt. 5 Verordening BI-zone
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bijdrageplicht eigenaar leegstaand pand binnen BIZ-zone

Eiseres is eigenaar van een onroerende zaak binnen een BIZ-zone waarvoor een verordening is vastgesteld na een draagvlakmeting in 2011. Destijds was het pand verhuurd en was de huurder bijdrageplichtig en gerechtigd tot deelname aan de draagvlakmeting. In 2014 stond het pand leeg en werd eiseres als eigenaar aangeslagen voor de BIZ-bijdrage.

Eiseres stelde dat zij onterecht was aangeslagen omdat zij niet bij de draagvlakmeting betrokken was en dat de verordening niet rechtsgeldig was vastgesteld. De rechtbank oordeelde dat de huurder destijds terecht als bijdrageplichtige werd aangemerkt en dat de verordening en de draagvlakmeting correct waren uitgevoerd en bekendgemaakt.

Verder overwoog de rechtbank dat de wet een bijdrageplicht voor eigenaren van leegstaande panden bevat en dat het niet betrokken zijn bij de draagvlakmeting geen uitzondering vormt op deze bijdrageplicht. Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de aanslag BIZ-bijdrage 2014 gehandhaafd.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 14/9810
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2015 in de zaak tussen

[eiseres] wonende te [plaats], eiseres

en

[P], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 17 september 2014 op het bezwaar van eiseres tegen de aan haar opgelegde aanslag BIZ-bijdrage voor het jaar 2014.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2015 te Den Haag.
Eiseres is verschenen, bijgestaan door [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordigers].

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Op 24 maart 2011 heeft de gemeenteraad van de gemeente [plaats] de Verordening BI-zone [X] 2012 (de Verordening) vastgesteld, welke, na uitslag van de draagvlakmeting, op 1 januari 2012 in werking is getreden.
2. De Verordening bevat onder meer:

Artikel 4 Belastbaar Pro feit en belastingplicht
1. De belasting wordt gedurende een periode van 5 jaren jaarlijks geheven ter zake van binnen de BI-zone gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen.
2. De belasting wordt geheven van degenen die bij het begin van het kalenderjaar in de
BI-zone gelegen onroerende zaken al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruiken.
3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt:
a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;
b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.
4. Indien een onroerende zaak bij het begin van het kalenderjaar niet in gebruik is, wordt het niet in gebruik zijn gelijkgesteld aan het gebruik zoals deze door de laatste gebruiker heeft plaatsgevonden. De BIZ-bijdrage wordt in dit geval geheven van degene die van die zaak het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

Artikel 5 Belastingobject Pro

1. Als een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken, die niet in hoofdzaak tot woning dient.
2. Een onroerende zaak dient niet in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak niet in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden twee of meerdere onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen en die kenbaar naar buiten als één geheel door dezelfde gebruiker worden gebruikt, als één onroerende zaak aangemerkt.

Artikel 6 Maatstaf Pro van heffing

De belasting wordt geheven naar een vast bedrag per onroerende zaak.

Artikel 7 Belastingtarief Pro

1. De BIZ-bijdrage bedraagt per onroerende zaak € 300,00
2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de BIZ bijdrage voor onroerende zaken, zijnde opslagruimte, loodsen, keten en romney’s € 0,00

Artikel 8 Wijze Pro van heffing

1. De BIZ-bijdrage wordt bij wege van aanslag geheven.
2. Aanslagen van € 0,00 worden niet opgelegd.”
3. Het Reglement draagvlakmeting BIZ 2011 B (het Reglement) houdt onder meer in:

Artikel 2 Bijdrageplichtige Pro
1. Iedere bij de gemeente bekende bijdrageplichtige wordt na vaststelling van de verordening in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk voor of tegen inwerkingtreding uit te spreken.
2. Als bijdrageplichtigen worden aangemerkt degenen die op grond van de verordening
daadwerkelijk een bijdrage zullen zijn verschuldigd.
Artikel 3 Procedure Pro draagvlakmeting
1. Voor de peiling van het draagvlak wordt gebruik gemaakt van genummerde stembiljetten.
2. De lijst met de corresponderende namen en adressen is vertrouwelijk en blijft alleen bij de
gemeente bekend.
3. Het stembiljet vermeldt de dag en tijd waarop het biljet door de gemeente Den Haag uiterlijk moet zijn ontvangen.
4. De stembiljetten worden, met een toelichting op de verordening en de strekking van de
uitvoeringsovereenkomst per post verstuurd dan wel persoonlijk in handen gesteld van (een
vertegenwoordiger van) de bijdrageplichtige. Daarbij wordt voor ontvangst getekend.
5. Ten behoeve van het uitbrengen van de stem dient het stembiljet in een gesloten enveloppe gezonden te worden naar de Dienst Stedelijke Ontwikkeling van de gemeente Den Haag.
6. Als het stembiljet zoek geraakt is of anderszins in ongerede is geraakt, kan de bijdrageplichtige met opgave van redenen tot vier dagen voor de sluiting van de stemmingstermijn de gemeente verzoeken om een nieuw stembiljet. Na beoordeling van de aanvraag wordt het nieuw uitgereikte stembiljet gemarkeerd en geldt het als het enig geldig uitgereikte stembiljet.
7. Op grond van artikel 2:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is eenieder, die betrokken is bij de uitvoering van de draagvlakmeting en daarbij inzage heeft in de vertrouwelijke gegevens, verplicht tot geheimhouding.

Artikel 4 Ongeldigheid Pro stembiljet

1. Ongeldig is het stembiljet:
• waaruit niet duidelijk de keuze van de bijdrageplichtige blijkt;
• waaruit blijkt dat de bijdrageplichtige meer dan één voorkeur heeft uitgesproken;
• dat blanco retour is gezonden;
• dat anderszins foutief is ingevuld;
• dat te laat wordt ingeleverd.
2. Alleen met het originele door de gemeente aan de bijdrageplichtige gestuurde stemformulier kan een stem worden uitgebracht.
3. Per belastingobject kan maximaal één stem worden uitgebracht.

Artikel 5 Uitslag Pro draagvlakmeting

1. Van voldoende steun is ingevolge artikel 5 van Pro de Experimentenwet BI-zones sprake indien blijkt dat:
a. ten minste de helft van de bijdrageplichtigen zich voor of tegen inwerkingtreding heeft
uitgesproken,
b. ten minste tweederde deel daarvan zich vóór inwerkingtreding heeft uitgesproken, en
c. de som van de WOZ-waarden, bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet Waardering
onroerende zaken in gebruik bij bijdrageplichtigen die zich hebben uitgesproken vóór
inwerkingtreding hoger is dan de som van de WOZ waarden in gebruik bij
bijdrageplichtigen die zich hebben uitgesproken tegen inwerkingtreding.
2. In afwijking van het eerste lid blijkt reeds van voldoende steun indien voldaan wordt aan de criteria, bedoeld in dat lid, onder a en b, indien de verordening voorziet in heffing van een voor iedere bijdrageplichtige gelijk bedrag als bedoeld in artikel 2, vierde lid van de Experimentenwet BI-zones.

Artikel 6 Bekendmaking Pro uitslag

1. De uitslag van de draagvlakmeting wordt bekend gemaakt door publicatie in de
Gemeenteberichten in de [krant].”
4.
Eiseres is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de onroerende zaak [adres] te [plaats] (de onroerende zaak). De onroerende zaak dient niet in hoofdzaak tot woning en is gelegen in het door de gemeente aangewezen gebied waarbinnen op grond van de Verordening een BIZ-bijdrage wordt geheven. Bij aanvang van het kalenderjaar 2014 stond de onroerende zaak leeg.
5. In geschil is of de aanslag moet worden vernietigd omdat de Verordening onverbindend is. Eiseres beantwoordt deze vraag bevestigend en verweerder ontkennend.
6. Eiseres stelt dat de draagvlakmeting niet volgens de juiste regels tot stand is gekomen en niet op de juiste wijze is bekendgemaakt, dat zij ten onrechte als bijdrageplichtige is aangemerkt, en dat in de afgelopen jaren geen dan wel nauwelijks
BIZ activiteiten hebben plaatsgevonden. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en herroeping van de belastingaanslag.
7. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep en heeft de stellingen van eiseres gemotiveerd weersproken.
8. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Uitreiken stembiljetten draagvlakmeting
9. Op grond van artikel 4, eerste lid Experimentenwet BI-zones (de Wet BIZ) dient voorafgaande aan de inwerkingtreding van de verordening waarbij de BIZ-bijdrage wordt ingesteld een draagvlakmeting plaats te vinden onder de bijdrageplichtigen. Daarbij dient, op grond van het tweede lid van genoemd artikel, iedere bij de gemeente bekende bijdrageplichtige in de gelegenheid te worden gesteld zich schriftelijk voor of tegen inwerkingtreding van de verordening uit te spreken.
10. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de draagvlakmeting niet tot stand is gekomen conform het Reglement. Verweerder heeft in strijd gehandeld met artikel 3, vierde lid van het Reglement door aan eiseres geen stembiljet uitgereikt.
11. Verweerder stelt hiertegenover dat eiseres tijdens de draagvlakmeting niet bijdrageplichtig was. De onroerende zaak was destijds in de verhuur en de huurder was de bijdrageplichtige.
12. De rechtbank is van oordeel dat eiseres ten tijde van de draagvlakmeting op grond van het bepaalde in artikel in artikel 4, tweede lid, van de Verordening in samenhang gelezen met artikel 2 van Pro het Reglement niet de bijdrageplichtige was en dat zij daarom niet gerechtigd was deel te nemen aan de draagvlakmeting. Ten tijde van de draagvlakmeting was de onroerende zaak in verhuur en in gebruik bij de huurder.
Bekendmaking uitslag draagvlakmeting
13. De rechtbank overweegt dat uit de door verweerder in beroep overlegde stukken blijkt dat de uitslag van de draagvlakmeting zoals vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders bij besluit van 14 juni 2011 is gepubliceerd in de [krant] van week [nummer] van 2011. Hiermee is de uitslag naar het oordeel van de rechtbank op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt en faalt het andersluidende standpunt van eiseres.
Belastingplicht per onroerende zaak
14. Op grond van artikel 4 en Pro 5 van de Verordening wordt de BIZ-bijdrage geheven ter zake van binnen de BI-zone gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen. Deze heffing vindt plaats bij de gebruiker van de onroerende zaak en indien de onroerende zaak bij het begin van het kalenderjaar niet in gebruik is, wordt de BIZ-bijdrage op grond van het vierde lid van artikel 4 van Pro de Verordening geheven van degene die van die onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom.
15. Niet in geschil is dat de onroerende zaak aan het begin van het kalenderjaar 2014 niet in gebruik was en dat eiseres de genothebbende is krachtens eigendom. De rechtbank is van oordeel dat eiseres terecht als belastingplichtige is aangemerkt. Dat niet eiseres maar de gebruiker (huurder) van de onroerende zaak op dat moment bij de draagvlakmeting is betrokken en dat eiseres nimmer is uitgenodigd voor een vergadering van de BIZ vereniging, doen aan het vorenstaande niet af. Reeds omdat eiseres, zoals hier voor is overwogen, bij de draagvlakmeting op grond van de Verordening niet de bijdrageplichtig was. De bijdrageplichtigheid van de eigenaar ingeval van leegstand is bij amendement in de wet opgenomen (TK, vergaderjaar 2008-2009, 31 430, nr 12). Uit de toelichting bij dat amendement valt naar het oordeel van de rechtbank niet af te leiden dat het de bedoeling was deze bedrageplichtigheid uitzondering te laten leiden indien de eigenaar niet bij de draagkrachtmeting betrokken is geweest. Eiseres is aan het begin van het kalenderjaar 2014 bijdrageplicht geworden.
16.
Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.
17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Dirks, rechter, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2015.
griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,
2500 EA Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.