ECLI:NL:RBDHA:2015:2353

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 maart 2015
Publicatiedatum
6 maart 2015
Zaaknummer
VK-15_2340 -15_2853 -15_2855
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 8:81 AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroepen tegen uitzetting naar Italië na beoordeling opvanggaranties Tarakhel-arrest

Eisers, een Syrisch gezin, hadden asielaanvragen ingediend die door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie werden afgewezen omdat Italië verantwoordelijk was voor de behandeling. Eerder had de rechtbank de besluiten vernietigd wegens onvoldoende garanties over opvang in Italië, conform het arrest Tarakhel van het EHRM.

De staatssecretaris stelde dat de Italiaanse autoriteiten inmiddels voldoende garanties hadden gegeven over aangepaste opvang en het bijeenhouden van het gezin. Eisers betwistten dit en voerden aan dat de garanties onvoldoende gedetailleerd en betrouwbaar waren.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de verklaring van de Italiaanse autoriteiten, ondersteund door toezeggingen van de staatssecretaris, voldeed aan de eisen van het Tarakhel-arrest. De opvang zou aangepast zijn aan de leeftijd van het minderjarige kind en het gezin zou bij elkaar blijven. De beroepen werden daarom ongegrond verklaard en de verzoeken om voorlopige voorzieningen afgewezen.

Uitkomst: De beroepen tegen uitzetting naar Italië worden ongegrond verklaard wegens voldoende opvanggaranties.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummers:
AWB 15/2340, AWB 15/2853, AWB 15/2855 (verzoeken om voorlopige voorzieningen),
AWB 15/2339, AWB 15/2852, AWB 15/2854 (beroepen),
V-nummers: [nummer 1], [nummer 2] en [nummer 3]
uitspraak van de voorzieningenrechter in vreemdelingenzaken van 5 maart 2015 in de zaak tussen
[naam 1],
geboren op [geboortedag 1] 1960, eiser,
[naam 2],
geboren op [geboortedag 2] 1968, eiseres,
[naam 3],
geboren op [geboortedag 3] 1999, eiseres 2,
allen van Syrische nationaliteit,
tezamen aangeduid als ‘eisers’,
gemachtigde: mr. M.C.M.E. Schijvenaars,
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,
gemachtigde mr. P.M.W. Jans.

Procesverloop

Bij besluiten van 4 februari 2015 (hierna: de bestreden besluiten), genomen in de zogeheten algemene asielprocedure (AA-procedure), zijn de asielaanvragen van eisers afgewezen.
Op 5 februari 2015 hebben eisers tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht voorzieningen te treffen die ertoe strekken uitzetting achterwege te laten totdat op de beroepen is beslist.
Bij schrijven van 9 februari 2015 heeft verweerder verzocht om de beroepen en verzoeken spoedig te behandelen, gelet op het verstrijken van de overdrachtstermijn op 17 maart 2015.
Van eisers is een brief van 19 februari 2015 ontvangen.
De behandeling van de verzoeken heeft plaatsgevonden op 26 februari 2015. Eisers zijn ter zitting verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig A. Alsuhail, tolk in de Arabische taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Aangezien nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zal met toepassing van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onmiddellijk op de beroepen worden beslist. Daartoe wordt als volgt overwogen.
2. Bij afzonderlijke besluiten van 24 november 2014 zijn de asielaanvragen van eisers afgewezen, omdat Italië verantwoordelijk wordt geacht voor behandeling van de aanvragen.
3. De tegen de afwijzing ingestelde beroepen zijn door de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 4 december 2014 (AWB 14/26616, 14/26624, 14/26630, 14/26612, 14/26617, 14/26627) gegrond verklaard. In deze uitspraak is overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen. Vanwege het ontbreken van garanties van de Italiaanse autoriteiten ten tijde van de besluiten van 24 november 2014 met betrekking tot opvang zoals die voortvloeien uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) inzake Tarakhel tegen Zwitserland van 4 november 2014 (nr. 29217/12), zijn de bestreden besluiten vernietigd. Er is geen hoger beroep tegen deze uitspraak ingesteld.
4. In de bestreden besluiten stelt verweerder zich op het standpunt dat ten tijde hier van belang is voldaan aan de eisen die voortvloeien uit het arrest Tarakhel, gelet op de overgelegde verklaring van de Italiaanse autoriteiten van 20 januari 2015. Derhalve staat niets aan overdracht van eisers aan Italië in de weg.
5. Eisers stellen dat uit het arrest Tarakhel voortvloeit dat de overdragende autoriteiten moeten beschikken over gedetailleerde en betrouwbare informatie over de specifieke faciliteiten/voorzieningen, locatie, de fysieke opvangcondities en gezamenlijke opvang van gezinsleden. Verweerder moet over individuele garanties beschikken alvorens tot overdracht kan worden overgegaan. Uit de verklaring van 20 januari 2015 blijkt onvoldoende van dergelijke garanties. In die verklaring wordt slechts verwezen naar algemene richtlijnen, waarin algemene opvangcondities worden opgesomd. Ondanks het bestaan van die richtlijnen, worden gezinsleden in Italië toch gescheiden van elkaar opgevangen. De toezegging van de Italiaanse autoriteiten dat individuele omstandigheden nader worden ingevuld kort voor de overdracht, kan niet worden gezien als een garantie zoals hiervoor bedoeld. Overdracht aan Italië is daarom in strijd met artikel 3 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
6. Tussen partijen is in geschil of is voldaan aan de garanties zoals die voortvloeien uit het arrest Tarakhel.
7. Uit het arrest Tarakhel volgt - kort gezegd - dat de verzoekende lidstaat garanties van de Italiaanse autoriteiten dient te ontvangen waaruit blijkt dat de asielzoekers opvang zullen ontvangen, dat deze is aangepast aan de leeftijd van kind(eren) en dat het gezin bij elkaar blijft. Zonder deze specifieke informatie heeft de verzoekende lidstaat geen garanties dat de asielzoekers bij overdracht aan Italië worden opgevangen op een wijze die niet in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM.
8. Verweerder (J.H.J. Jansen, senior officer Dublin Unit) heeft de Italiaanse autoriteiten bij schrijven van 7 januari 2015 verzocht te bevestigen dat eisers - van wie in deze brief de namen en geboortedata worden genoemd - gelet op de aanvaarding door Italië van de overnameverzoeken op 17 september 2014 en 3 november 2014, worden opgevangen in een locatie die is aangepast aan de leeftijd van de kinderen en dat de gezinsleden bij elkaar zullen blijven.
9. In de verklaring van 20 januari 2015 van de Italiaanse autoriteiten is vermeld dat in reactie op de brief van 7 januari 2015 de opvangcondities voor eisers (die in deze verklaring worden aangeduid als ‘[naam 1], born on [geboortedag 1] 1960 + family, 2 persons’) worden toegezonden. Verder is vermeld: ‘Ensuring you that, after the transfer to Italy, this family group will be granted reception in a project (in the framework of the above mentioned Italian reception system), we are going to better specify the project that will take charge of them, after you inform us (at least 15 days in advance) about the date of the transfer to Italy. The reception conditions will be obviously ensured in relation to the information given bij your Dublin Unit, including the relevant health conditions, up-to-date medical certificates attesting possible health problems as well as problems related tot vulnerable conditions.’ Bij deze verklaring bevindt zich een bijlage waarop is vermeld ‘Reception Project - Guidelines’. Onder meer is in die bijlage vermeld: ‘Accommodation: residential building and/or flat according to the needs of the guests (single or family groups) in compliance with the legislation in force concerning sanitary conditions and safety.’
10. Uit de verklaring van 20 januari 2015 volgt dat opvang van eisers overeenkomstig de (hiervoor onder 8 vermelde) informatie zoals verstrekt door de Dublin Unit verzekerd zal zijn (‘obviously ensured in relation to the information given bij your Dublin Unit’). De plaats van de opvang wordt bekend gemaakt wanneer de datum van uitzetting bekend is en de Italiaanse autoriteiten daarover (minstens 15 dagen voorafgaand aan uitzetting) geïnformeerd worden. Uit het voorgaande volgt dat verweerder de Italiaanse autoriteiten voldoende heeft geïnformeerd over de omstandigheden van het gezin, die nopen tot individuele garanties over de opvang. Dat betreft in dit geval het feit dat het gaat om een gezin met een minderjarig kind van 15 jaar. Van overige omstandigheden die het gezin kwetsbaar maken is niet gebleken. De Italiaanse autoriteiten hebben de vereiste garanties verstrekt en toegezegd dat de opvang aan de gestelde eisen zal voldoen en dat voorafgaand aan de overdracht de concrete locatie bekend zal worden gemaakt. Namens verweerder is ter zitting de uitdrukkelijke toezegging gedaan dat indien de door de Italiaanse autoriteiten te noemen locatie niet voldoet aan de uit Tarakhel voortvloeiende eisen (een locatie die geschikt is voor een kind van 15 jaar en het gezin blijft bij elkaar), eisers niet worden overgedragen aan Italië. De voorzieningenrechter is van oordeel dat gelet op het voorgaande ten tijde hier van belang wordt voldaan aan de uit Tarakhel voortvloeiende eisen. Eisers kunnen zonodig rechtsmiddelen aanwenden tegen de daadwerkelijke uitzetting (door bezwaar te maken tegen de uitzetting en gelijktijdig een voorlopige voorziening te vragen zodra de datum van uitzetting bekend is).
11. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de beroepen ongegrond zijn.
12. Gegeven de beslissingen in de hoofdzaken is er geen aanleiding voor het treffen van voorlopige voorzieningen als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Awb.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst de verzoeken om voorlopige voorzieningen af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2015.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.