ECLI:NL:RBDHA:2015:177
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning wegens onvoldoende motivering afhankelijkheid broer
Verzoekster, een Iraakse vrouw, diende een asielaanvraag in Nederland in, die werd afgewezen omdat Slowakije verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van haar aanvraag op grond van de Dublin-verordening. Verzoekster stelde dat zij afhankelijk is van haar broer die in Nederland woont, zowel emotioneel als praktisch, en dat overdracht aan Slowakije tot schending van haar rechten zou leiden.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende en onjuist had gemotiveerd waarom verzoekster niet afhankelijk zou zijn van haar broer. Hoewel verzoekster geen medische attesten overlegd had, geldt dat ook emotionele afhankelijkheid onder de toepasselijke regelgeving kan vallen. Verweerder had de verklaringen van verzoekster en haar broer onvoldoende meegewogen en maakte daarbij een cirkelredenering door het ontbreken van medische stukken tegen verzoekster te gebruiken.
De rechtbank constateerde ook dat verweerder niet had toegelicht welke familiesituaties onder de relevante artikelen vallen en welke criteria werden gehanteerd. Daarom werd het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het verzoek tot voorlopige voorziening werd afgewezen en verweerder werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering over de afhankelijkheid van verzoekster van haar broer.