Uitspraak
Rechtbank Den Haag
en [verzoeker 2](verzoeker 2), te [woonplaats], verzoekers,
[Y] B.V. en [belanghebbende A], belanghebbenden, (gemachtigde: mr. J.H. van der Grinten).
Rechtbank Den Haag
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister van Veiligheid en Justitie om zes documenten gedeeltelijk openbaar te maken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Zij vreesden dat openbaarmaking een onomkeerbare situatie zou creëren die het voeren van de hoofdprocedure zinloos maakt. Tevens stelden verzoeker 2 en verzoekster 3 dat zij ten onrechte niet gehoord waren voorafgaand aan het besluit.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek om een voorlopige voorziening een voorlopig karakter heeft en niet bindend is voor de bodemprocedure. Verweerder heeft verzoeker 1 de mogelijkheid geboden een zienswijze in te dienen, waarbij verzoeker 1 ook opkwam voor de belangen van verzoeker 2 en verzoekster 3. Verzoekers hebben nagelaten inhoudelijke argumenten tegen openbaarmaking te onderbouwen met een verzoek tot geheimhouding.
De voorzieningenrechter weegt het onomkeerbare karakter van openbaarmaking af tegen het journalistieke belang van belanghebbenden bij spoedige openbaarmaking, mede vanwege de nieuwswaarde en het lopende wetsvoorstel voor lobbyactiviteiten. Gezien de verwachting dat het primaire besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven, weegt het belang van belanghebbenden zwaarder. Daarom worden de verzoeken om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en laat de gedeeltelijke openbaarmaking van documenten op grond van de Wob in stand.