Uitspraak
1214861 \ EJ VERZ 12-86611
Rechtbank Den Haag
De officier van justitie verzocht de kantonrechter om machtiging tot het toepassen van het dwangmiddel gijzeling voor maximaal zeven dagen tegen betrokkene, vanwege het niet betalen van een administratieve sanctie van €100 voor een voertuig waarvan het keuringsbewijs zijn geldigheid had verloren.
Uit het dossier blijkt dat betrokkene geen beroep heeft ingesteld tegen de beschikking en dat eerdere incassomaatregelen, waaronder een dwangbevel en poging tot inname van het rijbewijs, niet tot betaling hebben geleid. Betrokkene heeft ook geen betalingsonmacht gemeld of een betalingsregeling getroffen. Hoewel betrokkene in het verleden na machtiging tot gijzeling wel boetes heeft voldaan, is onduidelijk of hij momenteel over voldoende financiële middelen beschikt.
De kantonrechter oordeelt dat gijzeling een uiterste dwangmaatregel is bedoeld voor personen die kunnen maar niet willen betalen. Betrokkene is niet opgenomen in een bewind-, curatele- of insolventieregister, wat geen bewijs is van betalingsvermogen maar ook geen indicatie van betalingsonmacht. Het feit dat betrokkene na het opleggen van de sanctie een ander voertuig op zijn naam heeft geregistreerd, duidt op beschikbare middelen die niet zijn ingezet voor betaling.
Betrokkene is niet verschenen op de mondelinge behandeling en heeft geen verweer gevoerd. De kantonrechter concludeert dat er een reële verwachting is dat betrokkene de sanctie kan voldoen en wijst de vordering toe, maar beperkt de gijzeling tot drie dagen gezien de hoogte van het openstaande bedrag.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering toe en machtigt de officier van justitie tot gijzeling van betrokkene voor drie dagen.