Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] ,
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
Procesverloop
Overwegingen
Bij uitspraken van 15 augustus 2003 (AWB 03/42601) en 25 september 2003 (AWB 03/48673) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, de beroepen van eiser tegen de hem bij besluit van 3 augustus 2003 opgelegde maatregel van bewaring ongegrond verklaard. Bij uitspraken van 16 maart 2006 (AWB 06/8968), 4 mei 2006 (AWB 06/17562) en 19 juni 2006 (AWB 06/24780) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Assen, de beroepen van eiser tegen de hem bij besluit van 18 januari 2006 opgelegde maatregel van bewaring ongegrond verklaard. Bij uitspraken van 6 november 2007 (AWB 07/38962), 17 maart 2008 (AWB 08/5975), 19 mei 2008 (AWB 08/15112) en 1 augustus 2008 (AWB 08/25474) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Dordrecht, de beroepen van eiser tegen de hem bij besluit van 20 september 2007 opgelegde maatregel van bewaring ongegrond verklaard. Bij uitspraken van 31 maart 2009 (AWB 09/8702), 8 mei 2009 (AWB 09/15131), 30 juni 2009 (AWB 09/20382) en 19 oktober 2010 (AWB 09/35016) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, de beroepen van eiser tegen de hem bij besluit van 12 maart 2009 opgelegde maatregel van bewaring ongegrond verklaard.
4.1 De rechtbank stelt vast dat bij de hiervoor onder 1. genoemde uitspraken reeds een oordeel is gegeven over de vraag of de destijds opgelegde maatregel rechtmatig was en - in het verlengde daarvan - de vraag of eiser aanspraak kon maken op een schadevergoeding. Vast staat dat deze uitspraken onherroepelijk zijn geworden.
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak hebben kunnen leiden.
5.1 Voor herziening is aldus vereist dat nieuwe feiten of omstandigheden aanwezig zijn, die aan de cumulatieve voorwaarden genoemd onder a., b. en c. voldoen.
6.1 Nu dit nieuwe feit heeft plaatsgevonden op 14 september 2011 - en derhalve niet vóór de onder 1. vermelde uitspraken - wordt niet aan de voorwaarde genoemd onder a. van artikel 8:119 Awb Pro voldaan.
6.2 Het voorgaande betekent dat de rechtbank niet volgt het standpunt van eiser dat het “feit” betreft de Nederlandse nationaliteit van eiser, die hij – achteraf bezien – altijd heeft behouden, zodat dit dus vóór de uitspraken genoemd onder 1. ook al het geval was. Nog daargelaten dat dit standpunt - indien dit gevolgd zou worden - er toe leidt dat niet aan de voorwaarde onder b. wordt voldaan, aangezien eiser heeft gesteld altijd bekend te zijn geweest met het feit dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft behouden, overweegt de rechtbank dat het oordeel dat eiser de Nederlandse nationaliteit niet heeft verloren, een gevolg is van het eerdergenoemde besluit van de minister van Binnenlandse Zaken van Suriname van 14 september 2011, omdat eerst per die datum de beschikking van diezelfde minister van 17 april 1990 is ingetrokken.