In deze zaak stond verdachte terecht wegens vermeende overtredingen bij de sloop van een silo met asbesthoudende coating in [plaatsnaam]. Verdachte werd beschuldigd van het onjuist verwijderen en afvoeren van asbesthoudend materiaal, wat nadelige milieugevolgen zou hebben veroorzaakt.
De rechtbank stelde vast dat het asbest in de oude silo aanwezig was, maar dat niet met voldoende zekerheid kon worden vastgesteld dat het aangetroffen asbest buiten het afgezette gebied daadwerkelijk van deze silo afkomstig was. Ook was de concentratie asbest in het afgevoerde puin lager dan de grenswaarde om als gevaarlijke afvalstof te worden aangemerkt.
Verdachte had gehandeld volgens een aangepast werkplan en de best beschikbare technieken, waarbij de wijziging van handmatige verwijdering naar gecontroleerde sloop met een kraan was besproken en verantwoord. Er was geen bewijs dat verdachte wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat haar handelen nadelige milieugevolgen zou veroorzaken.
De rechtbank concludeerde dat de tenlasteleggingen niet wettig en overtuigend bewezen konden worden en sprak verdachte vrij van beide feiten.