ECLI:NL:RBDHA:2015:13287
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen inreisverbod na opvolgende asielaanvraag deels gegrond wegens onvoldoende motivering
Eiseres, een Russische staatsburger, diende meerdere asielaanvragen in, waarvan de eerste in 2011 was afgewezen. Na eerdere afwijzingen en een eerdere uitspraak van de rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak, diende zij in juni 2015 een opvolgende asielaanvraag in. Deze werd niet-ontvankelijk verklaard en er werd een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
De rechtbank toetste het besluit aan het ne-bis-in-idembeginsel en oordeelde dat geen nieuwe feiten of omstandigheden (nova) waren aangevoerd die een hernieuwde beoordeling rechtvaardigden. De gestelde terugkeer naar Rusland werd niet als voldoende nieuw feit gezien en de eerdere afwijzing bleef van kracht. Wel werd het inreisverbod getoetst aan artikel 8 EVRM Pro (recht op gezinsleven).
De rechtbank vond dat de staatssecretaris onvoldoende alle relevante feiten had betrokken in zijn belangenafweging, zoals het verblijf van het kind van eiseres bij haar partner in Nederland en het eerdere opgeheven inreisverbod. Daarom werd het beroep tegen het inreisverbod gegrond verklaard. Het beroep tegen de overige onderdelen van het besluit werd ongegrond verklaard. De gevraagde voorlopige voorziening werd afgewezen en de staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard voor het inreisverbod en ongegrond voor het overige; het inreisverbod wordt vernietigd.