ECLI:NL:RBDHA:2015:13259
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.W. Ente
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag moeder en zoon op basis van Eritrese nationaliteit en herkomst
Eiseres en haar minderjarige zoon hebben een asielaanvraag ingediend, welke door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie is afgewezen. De moeder betwistte de afwijzing en stelde dat haar zoon de Eritrese nationaliteit van rechtswege bezit, wat zij aannemelijk maakte met een origineel paspoort van de vader. De staatssecretaris handhaafde het besluit, stellende dat de zoon moest optieren voor de Eritrese nationaliteit en dat de moeder haar Eritrese herkomst niet aannemelijk had gemaakt.
De rechtbank oordeelde dat de moeder onvoldoende nieuwe feiten had aangevoerd om het eerdere besluit te herzien (geen nova). Wel achtte de rechtbank de Eritrese nationaliteit van de zoon aannemelijk op grond van de Eritrese nationaliteitswetgeving en recente ambtsberichten. Omdat de zoon in Nederland geboren is en noch legaal noch illegaal Eritrea heeft verlaten, is het beleid van de staatssecretaris dat alleen bij illegale uitreis of individuele omstandigheden asiel wordt verleend, niet van toepassing.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat het aan eiseres opgelegde inreisverbod rechtsgeldig is. De belangen van de minderjarige zoon zijn niet geschaad door de procedure. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiseres en haar zoon tegen de afwijzing van hun asielaanvragen wordt ongegrond verklaard.