ECLI:NL:RBDHA:2015:1308
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bezwaar tegen afname en verwerking van DNA-celmateriaal bij veroordeelde wegens verbale bedreiging
De veroordeelde is bij uitspraak van 17 februari 2014 veroordeeld wegens verbale bedreiging en belediging tot een werkstraf van 50 uren, waarvan 25 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Op 5 oktober 2014 is op bevel van de officier van justitie celmateriaal van de veroordeelde afgenomen voor DNA-onderzoek.
De veroordeelde heeft tijdig bezwaar gemaakt tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel. De rechtbank heeft dit bezwaar op 27 januari 2015 behandeld en de veroordeelde gehoord. De officier van justitie stelde zich op het standpunt dat het bezwaar ongegrond moest worden verklaard.
De rechtbank oordeelt dat de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden een uitzondering kent waarbij geen DNA-onderzoek plaatsvindt indien het redelijkerwijs aannemelijk is dat het DNA-onderzoek niet van betekenis zal zijn voor de opsporing, vervolging of berechting van strafbare feiten. Gelet op de aard van het delict – verbale bedreiging – is het DNA-onderzoek niet van belang voor de opheldering daarvan.
Ook zijn er geen bijzondere omstandigheden die doen vrezen dat de veroordeelde in de toekomst strafbare feiten zal plegen waarbij DNA-onderzoek van belang kan zijn. Daarom verklaart de rechtbank het bezwaar gegrond en beveelt de vernietiging van het afgenomen celmateriaal.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel wordt gegrond verklaard en het celmateriaal dient te worden vernietigd.