ECLI:NL:RBDHA:2015:13010

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 november 2015
Publicatiedatum
12 november 2015
Zaaknummer
C/09/438882 / HA ZA 13-263
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 224 RvArt. 616 RvArt. 123 RvArt. 127 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wegens niet-stellen van zekerheidsstelling proceskosten

In deze civiele procedure vorderden eisers, woonachtig buiten Nederland, een bepaalde rechtsvordering tegen de Staat der Nederlanden en aanverwante partijen. De rechtbank had eerder bij vonnis van 10 juli 2013 eisers veroordeeld om zekerheid te stellen voor proceskosten door middel van een bankgarantie van €3.755,-.

Eisers stelden deze zekerheid niet, ondanks dat het gerechtshof Den Haag bij arrest van 28 april 2015 het vonnis van de rechtbank bekrachtigde en hen nogmaals in de gelegenheid stelde om binnen zes weken na het arrest zekerheid te stellen. De Staat der Nederlanden vorderde daarop dat de eisers niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen wegens het niet voldoen aan deze verplichting.

Eisers voerden overmacht aan vanwege hun geringe inkomen en de weigering van de bank om een garantie te verstrekken, maar de rechtbank oordeelde dat zij dit onvoldoende hadden onderbouwd met financiële documenten of een verklaring van de bank. Hierdoor werd hun betoog gepasseerd.

De rechtbank verklaarde de eisers niet-ontvankelijk in hun vorderingen en wees het verzoek tot ontslag van de instantie af, aangezien daarvoor geen wettelijke grondslag bestond. Tevens werden de eisers veroordeeld in de proceskosten, begroot op €3.192,-, en werd de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Eisers worden niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet stellen van zekerheid voor proceskosten en veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/438882 / HA ZA 13-263
Vonnis in incident van 11 november 2015
in de zaak van

1.[A] ,

2.
[B],
3.
[C],
allen wonende buiten Nederland, derhalve zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
eisers in de hoofdzaak,
verweerders in de incidenten,
advocaat mr. G.J.F.M. Linders te Valkenburg,
tegen

1.DE STAAT DER NEDERLANDEN, HET MINISTERIE VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE,

zetelend te Den Haag,
2.
HET CENTRAAL JUSTITIEEL INCASSO BUREAU,
gevestigd te Leeuwarden,
3.
DE STAAT DER NEDERLANDEN, HET MINISTERIE VAN VEILIGHEID
EN JUSTITIE (DE NATIONALE POLITIE),
zetelend te Den Haag,
gedaagden in de hoofdzaak,
eisers in de incidenten,
advocaat mr. W.B. Gaasbeek te Den Haag.
Partijen zullen hierna [A] c.s. (meervoud) en de Staat c.s. (meervoud) genoemd worden en afzonderlijk [A] , [B] en [C] en de Staat, het CJIB en de Nationale Politie.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het vonnis in de incidenten van 10 juli 2013;
  • de brief van mr. Linders van 1 augustus 2013;
  • de brief van mr. Gaasbeek van 6 augustus 2013;
  • de brief van de rechtbank aan partijen van 20 augustus 2013;
  • de conclusie tot niet-ontvankelijkheid i.v.m. niet voldoen zekerheidsstelling ex art. 224 Rv Pro, met producties;
  • de incidentele conclusie van antwoord tot niet-ontvankelijkheid.
1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald in het incident tot niet-ontvankelijkheid.

2.De beoordeling in het incident tot niet-ontvankelijkheid

2.1.
De Staat c.s. vorderen in het incident dat de rechtbank [A] c.s. niet-ontvankelijk verklaart in hun vordering in de hoofdzaak, de Staat c.s. ontslag van instantie verleent en [A] c.s. veroordeelt in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad. Hieraan leggen De Staat c.s. ten grondslag dat [A] c.s. niet hebben voldaan aan het arrest van het gerechtshof Den Haag van 28 april 2015.
2.2.
[A] c.s. voeren gemotiveerd verweer.
2.3.
Bij vonnis van 10 juli 2013 heeft de rechtbank [A] c.s. veroordeeld uiterlijk op 21 augustus 2013 door middel van een bankgarantie zekerheid te stellen tot een bedrag van
€ 3.755,-, voor een eventuele proceskostenveroordeling in de hoofdzaak.
2.4.
Tegen dit vonnis hebben [A] c.s. - na hiertoe verkregen toestemming van de rechtbank - hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 28 april 2015 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daarnaast heeft het hof [A] c.s. in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na 28 april 2015 door middel van een bankgarantie zekerheid te stellen tot een bedrag van € 3.755,- voor een eventuele proceskostenveroordeling in de hoofdzaak.
2.5.
De Staat c.s. hebben onweersproken aangevoerd dat [A] c.s. tegen het onder 2.4 bedoelde arrest geen rechtsmiddel hebben ingesteld, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat dit arrest onherroepelijk is.
2.7.
Vast staat dat [A] c.s. geen zekerheid hebben gesteld. Het niet-voldoen aan een veroordeling tot zekerheidsstelling leidt ingevolge artikel 616 Rv Pro tot niet-ontvankelijkheid van de partij die zekerheid diende te stellen.
2.8.
[A] c.s. achten de incidentele vordering van de Staat c.s. in strijd met de redelijkheid en billijkheid en voeren hiertoe aan dat sprake is van overmacht, omdat
de bank niet bereid is om een bankgarantie te verstrekken op basis van het verzamelinkomen van nog geen € 21.000,- van [A] en [B] en het belastbaar inkomen van [C] van nihil.
2.9.
Hierover wordt het volgende overwogen. In r.o. 2.15 van het vonnis van 10 juli 2013 heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat [A] en [B] niet, althans onvoldoende, hebben toegelicht dat hun financiële omstandigheden het stellen van zekerheid niet toelaten. Gelet op dit oordeel had van [A] c.s. mogen worden verwacht dat zij hun betoog als hiervoor bedoeld onder 2.8 nader feitelijk zouden toelichten en onderbouwen door middel van het overleggen van documenten met betrekking tot hun inkomen en vermogen alsmede een verklaring van de desbetreffende bank. Nu [A] c.s. hiertoe niet zijn overgegaan, moet hun betoog worden gepasseerd.
2.10.
Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat [A] c.s. niet-ontvankelijk zijn in hun vordering.
2.11.
De Staat c.s. hebben hun vordering tot het verlenen van ontslag van de instantie niet onderbouwd. De rechtbank acht geen grondslag aanwezig voor het toewijzen van deze vordering. De situaties waarvoor in de wetsartikelen 123 en 127 Rv ontslag van de instantie is opgenomen doen zich in deze zaak niet voor. Van afstand of verval van de instantie is evenmin sprake. Deze vordering zal worden afgewezen.
2.12.
Bij deze uitkomst past dat [A] c.s. worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Deze kosten begroot de rechtbank aan de zijde van De Staat c.s. op
€ 3.192, te weten € 1.836 aan griffierecht en € 1.356 aan salaris advocaat (3 punten à € 452 volgens tarief II).

3.De beslissing

De rechtbank
in het incident en in de hoofdzaak
3.1.
verklaart [A] c.s. niet-ontvankelijk in hun vordering;
3.2.
wijst in het incident het meer of anders gevorderde af (te weten, de vordering tot het verlenen van ontslag van instantie aan de Staat c.s.);
3.3.
veroordeelt [A] c.s. in de kosten van de procedure, aan de zijde van de Staat c.s. tot op heden begroot op € 3.192;
3.4.
verklaart de veroordeling onder 3.3. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2015. [1]

Voetnoten

1.type: 1554