ECLI:NL:RBDHA:2015:107
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.M.H. Rijken-Lie
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting Afghaanse man naar Kabul
De Afghaanse verzoeker is op 5 januari 2015 uitgezet naar Kabul. Hij maakte bezwaar tegen deze uitzetting en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar was beslist. De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een effectief rechtsmiddel dat verzoeker is onthouden, aangezien hij het verzoek om voorlopige voorziening heeft kunnen indienen en zijn gronden heeft kunnen toelichten.
Verzoeker beriep zich op artikel 8 EVRM Pro (recht op gezinsleven), omdat zijn echtgenote en drie kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben en hij bij zijn echtgenote woont. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak waarin dit beroep reeds werd afgewezen. Verzoeker heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die het eerdere oordeel kunnen veranderen. Bovendien zijn zijn kinderen inmiddels meerderjarig en staat verzoeker niet meer ingeschreven op hetzelfde adres als zijn echtgenote.
De rechtbank concludeert dat het beroep op artikel 8 EVRM Pro geen grond biedt om de uitzetting te verbieden. Ook de lopende procedure bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het ingediende interim measure leiden niet tot een ander oordeel. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de uitzetting wordt afgewezen.