ECLI:NL:RBDHA:2014:9480
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Voorwaardelijke gevangenisstraf wegens illegaal verblijf ondanks ongewenstverklaring
De rechtbank Den Haag behandelde op 18 juli 2014 de zaak tegen verdachte die op 17 april 2014 in Leiden werd aangetroffen terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 tot ongewenst vreemdeling was verklaard. Verdachte had geen geldige verblijfsstatus en had de Nederlandse wetgeving en het overheidsbeleid omtrent ongewenstverklaarde vreemdelingen willens en wetens overtreden.
De officier van justitie stelde dat het feit wettig en overtuigend bewezen was en eiste een gevangenisstraf van drie maanden. Verdachte voerde een beroep op overmacht aan, stellende dat hij alle mogelijke inspanningen had geleverd om terug te keren en dat zijn medische situatie vertrek belemmerde. De rechtbank verwierp dit beroep omdat verdachte niet volledig meewerkte aan de terugkeerprocedure en zijn identiteit niet aannemelijk kon maken. Tevens was niet gebleken dat zijn medische toestand vertrek verhinderde.
Gezien het feit dat de terugkeerprocedure niet volledig was doorlopen, achtte de rechtbank het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend. Daarom werd een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden opgelegd met een proeftijd van twee jaar. Verdachte werd tevens vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen konden worden.
De straf is gebaseerd op artikel 197 Sr Pro en artikel 63 Sr Pro, en houdt rekening met eerdere veroordelingen van verdachte voor hetzelfde feit. De tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis had doorgebracht, zou in mindering worden gebracht op de straf bij eventuele tenuitvoerlegging.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden wegens illegaal verblijf ondanks ongewenstverklaring.