ECLI:NL:RBDHA:2014:8952
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot staking of opschorting van gevangenisstraf na overbrenging uit België
Eiser is in België veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar voor drugsdelicten. Na een verzoek tot overbrenging is hij op 6 november 2012 naar Nederland overgebracht om zijn straf daar verder uit te zitten. Eiser vordert in kort geding staking of opschorting van zijn straf, stellende dat hij in België na het ondergaan van een derde van zijn straf in aanmerking zou komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling, terwijl in Nederland dit pas na tweederde van de straf mogelijk is.
De rechtbank stelt vast dat de overbrenging heeft plaatsgevonden op basis van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (VOGP) en het Aanvullend Protocol, waarbij de Nederlandse regelgeving voor tenuitvoerlegging van toepassing is. De minister heeft terecht ingestemd met de overbrenging onder de voorwaarde dat voorwaardelijke invrijheidstelling in Nederland pas na tweederde van de straf mogelijk is. Dit is in overeenstemming met artikel 9 lid 3 VOGP Pro.
Het beroep van eiser op een eerdere voorwaardelijke invrijheidstelling op grond van Belgische regelgeving faalt, mede omdat die invrijheidstelling in België afhankelijk is van rechterlijke toetsing en niet vaststaat dat hij deze zou hebben gekregen. Ook het argument dat de langere detentie in Nederland in strijd is met het EVRM wordt verworpen, aangezien het verschil in datum van voorwaardelijke invrijheidstelling niet disproportioneel is en de totale strafduur binnen de opgelegde straf blijft.
De rechtbank concludeert dat de minister niet onmiskenbaar onrechtmatig heeft gehandeld en wijst de vordering af. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot staking of opschorting van de gevangenisstraf wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.