Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 juli 2014 in de zaak tussen
[verzoeker],
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
Procesverloop
Overwegingen
Bij besluit van 17 februari 2012 is de aanvraag om verzoeker afgewezen omdat zijn asielrelaas, met inbegrip van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst, niet geloofwaardig is geacht. Het beroep tegen deze beslissing is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Assen, op 20 september 2012 (AWB 12/8796) ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft op 18 februari 2013 deze uitspraak bevestigd, waardoor het besluit van 17 februari 2012 onherroepelijk is geworden.
a) een verklaring van geboorte, afgegeven door de Somalische ambassade te Brussel op[...] 2014;
b) een nationaliteitsverklaring, afgegeven door de Somalische ambassade te Brussel op[...] 2014.
Verzoeker stelt dat hij met deze documenten zijn Somalische nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt.
Verzoeker heeft daarnaast aan de onderhavige aanvraag ten grondslag gelegd dat hij behoort tot de minderheidsstam van de Ashraf en dat hij bijna zijn gehele leven buiten Somalië heeft gewoond. Hierdoor beschikt hij niet over en sociaal stamnetwerk bij terugkeer naar Zuid- of Centraal-Somalië. Bovendien loopt hij het risico als spion te worden beschouwd. Daarbij komt dat de algemene veiligheidssituatie in [plaats] zeer slecht is. Dit maakt dat hij bij terugkeer naar Zuid- of Centraal-Somalië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ter onderbouwing van dit risico heeft verzoeker bij de onderhavige aanvraag verwezen naar de volgende documenten en stukken:
- het algemene ambtsbericht inzake Somalië van 20 december 2013;
7. Nu er aldus geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden waarvan niet op voorhand is uitgesloten dat die kunnen afdoen aan het eerdere materieel vergelijkbare besluit, komt de vraag aan de orde of - gelet op hetgeen verzoeker heeft gesteld - bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld overweging 45 van het arrest Bahaddar aannemelijk zijn geworden, die nopen tot een uitzondering op het
ne bis in idem-beginsel. De voorzieningenrechter overweegt dat, indien moet worden aangenomen dat verzoeker de Somalische nationaliteit bezit en zijn herkomst in Zuid- of Centraal-Somalië ligt, niet kan worden uitgesloten dat de gestelde duur van zijn verblijf in Europa dergelijke feiten en omstandigheden oplevert.
Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoeker verklaard dat de Somalische ambassade in Brussel heeft meegedeeld dat er afspraken zijn gemaakt tussen deze ambassade en de IND, dat als een document wordt afgegeven de Somalische ambassade geen onderzoeksverslag van een verhoor met de vreemdeling hoeft te overleggen. De ambassade is overigens wel bereid om een onderzoeksverslag over te leggen als de IND daarnaar vraagt.
Ter zitting heeft verweerder zich eerstens op het standpunt gesteld dat de accreditatie door Nederland van de Somalische ambassade geen gevolgen heeft voor de werkwijze van verweerder. In beginsel wordt waarde gehecht aan documenten van de Somalische ambassade in Brussel die zijn afgegeven op basis van verifieerbare verklaringen van de vreemdeling, tenzij het document ziet op de geboorteplaats van de vreemdeling. In dat geval moet de verklaring worden ondersteund door een authentiek brondocument. Ten aanzien van een nationaliteitsverklaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat deze moet worden ondersteund hetzij door een authentiek brondocument, hetzij door verifieerbare verklaringen van de vreemdeling die zijn afgelegd op de Somalische ambassade in Brussel. Als daarvan sprake is, wordt in beginsel van de nationaliteitsverklaring van de Somalische ambassade in Brussel uitgegaan, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het document gebaseerd is op onzorgvuldig onderzoek of dat uit eigen onderzoek van verweerder, bijvoorbeeld een taalanalyse, iets anders blijkt. Verweerder heeft vervolgens aangegeven dat hij deze werkwijze hanteert sinds augustus 2013. Desgevraagd heeft verweerder verder aangegeven dat, als er sprake is van een (door de Kmar) niet authentiek bevonden brondocument, dit gevolgen heeft voor de vraag of sprake is van een zorgvuldig onderzoek.