ECLI:NL:RBDHA:2014:8339
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag op grond van Dublin III-verordening ondanks gezinsleven met Nederlander
Verzoekster, van Iraanse nationaliteit en gehuwd met een Nederlander die sinds 1995 de Nederlandse nationaliteit bezit, heeft een asielaanvraag ingediend in Nederland. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling, aangezien verzoekster een visum van Zweden had ontvangen. Verzoekster betoogde dat Nederland op grond van artikel 9 van Pro Verordening 604/2013 verantwoordelijk zou moeten zijn vanwege het gezinsleven met haar echtgenoot die destijds internationale bescherming genoot.
De voorzieningenrechter oordeelde dat artikel 9 niet Pro van toepassing is omdat de echtgenoot inmiddels Nederlander is en het artikel ziet op personen die nog steeds internationale bescherming genieten. Artikel 16, dat betrekking heeft op kinderen, broers, zussen en ouders, is niet van toepassing op echtgenoten. Ook het beroep op artikel 17, dat lidstaten de mogelijkheid geeft om af te wijken van de criteria, faalde omdat niet was gebleken van een bijzondere afhankelijkheid tussen verzoekster en haar echtgenoot.
De rechtbank concludeerde dat Zweden terecht verantwoordelijk is voor de asielaanvraag en dat de belangen van verzoekster niet zodanig worden geschaad dat Nederland de zaak zelf moet behandelen. Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening werden afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat Zweden verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van verzoekster.