ECLI:NL:RBDHA:2014:7303
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-toetsing aan artikel 8 EVRM bij asielaanvraag vóór 1 april 2014
Verzoeker, een burger van Kosovo, diende op 7 maart 2014 een asielaanvraag in die door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) op 11 april 2014 werd afgewezen. Verzoeker stelde dat de IND ten onrechte geen toetsing aan artikel 8 van Pro het EVRM had verricht, zoals vereist vanaf 1 april 2014 volgens artikel 3.6a van het Vreemdelingenbesluit 2000.
De rechtbank oordeelde dat vanwege de overgangsregeling, waarbij de datum van de aanvraag bepalend is, aanvragen vóór 1 april 2014 niet aan deze toetsing worden onderworpen. Verzoekers aanvraag viel onder deze regeling, en er was geen strijd met hogere regelgeving of onredelijkheid in de keuze voor deze regeling.
Daarnaast stelde verzoeker dat de procedure niet correct was verlopen en dat zijn aanvraag in een verlengde procedure had moeten worden behandeld. De rechtbank verwierp ook dit standpunt, aangezien de rust- en voorbereidingstermijn van ten minste zes dagen was nageleefd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat de toetsing aan artikel 8 EVRM niet vereist is voor aanvragen vóór 1 april 2014.