ECLI:NL:RBDHA:2014:6941
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening behoud opvang asielzoeker
Verzoeker, een Afghaanse asielzoeker, diende een verzoek in tot het treffen van een voorlopige voorziening om gedurende de beroepsprocedure zijn recht op opvang te behouden. Dit verzoek werd ingediend na afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel door de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek niet-ontvankelijk was omdat er geen besluit van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) was genomen waartegen bezwaar was gemaakt, noch was er een verzoek aan de Staatssecretaris gericht zoals vereist volgens eerdere jurisprudentie. Tevens ontbrak de noodzakelijke processuele connexiteit met het aanhangige beroep tegen de weigering van de verblijfsvergunning.
De voorzieningenrechter benadrukte dat het verzoek betrekking moest hebben op het materiële geschil over het bestreden besluit en binnen het bereik daarvan moest blijven. Aangezien het verzoek om behoud van opvangvoorzieningen buiten het bestreden besluit viel, kon het niet-ontvankelijk worden verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot behoud van opvangvoorzieningen wordt niet-ontvankelijk verklaard.