ECLI:NL:RBDHA:2014:6880

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 mei 2014
Publicatiedatum
4 juni 2014
Zaaknummer
13/30508
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 85 Vreemdelingenwet 2000Art. 6:6 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op overgangsregeling langdurig verblijvende kinderen wegens ontbreken asielaanvraag

Eisers, allen van Boliviaanse nationaliteit, hebben een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning op grond van de overgangsregeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat eisers niet voldeden aan de voorwaarden van de regeling, met name omdat zij nooit een asielaanvraag of enige andere verblijfsaanvraag in Nederland hebben ingediend.

Tijdens de zitting op 11 maart 2014 bevestigde verweerder dat eisers geen eerdere verblijfsaanvraag hadden gedaan, hetgeen een essentiële voorwaarde is om in aanmerking te komen voor de overgangsregeling. Eisers voerden aan dat zij al meer dan vijf jaar onafgebroken in Nederland verblijven, zich niet hebben onttrokken aan toezicht en geen criminele antecedenten hebben, maar deze feiten veranderen niets aan het ontbreken van een asielaanvraag.

De rechtbank oordeelt dat eisers niet voldoen aan voorwaarde b van de overgangsregeling, omdat zij nimmer een asielaanvraag hebben ingediend. Hierdoor komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van het door eisers aangevoerde ongerechtvaardigde onderscheid tussen kinderen met een asielachtergrond en kinderen met een reguliere achtergrond.

Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eisers wordt ongegrond verklaard omdat zij niet voldoen aan de voorwaarden van de overgangsregeling langdurig verblijvende kinderen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 13/30508

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres 1],
geboren op 6 februari 2002, eiseres 1,
[eiseres 2],
geboren op [geboortedatum], eiseres 2,
[eiseres 3],geboren op [geboortedatum], eiseres 3, en
[eiser],geboren op [geboortedatum], eiser,
allen van gesteld Boliviaanse nationaliteit,
V-nummers respectievelijk[nummer];[nummer]; [nummer] en [nummer], eisers,
(gemachtigde: mr. A.C. de Klerk),
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. L. Pricker).

Procesverloop

Bij besluiten van 25 juli 2013 heeft verweerder de aanvraag van eisers om verlening van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘niet tijdelijke humanitaire gronden op grond van de overgangsregeling langdurig verblijvende kinderen’ afgewezen.
Bij besluit van 12 november 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2014. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.
Blijkens de gronden van beroep en het verhandelde ter zitting ziet het geschil op de vraag of verweerder het bezwaar van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag ongegrond heeft kunnen verklaren.
2.
De rechtbank stelt vast dat de aanvraag van eisers expliciet ziet op de verlening van een vergunning op grond van de overgangsregeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen nu (enkel) het desbetreffende vakje is aangekruist.
3.
Volgens het op 1 februari 2013 in werking getreden Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2013/1, de zogeheten ‘overgangsregeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen’, verleent verweerder een vergunning aan de vreemdeling die in het kader van de regeling als hoofdpersoon kan worden beschouwd:
a. die jonger is dan 21 jaar op de startdatum van de peilperiode (29 oktober 2012);
b. die zelf, dan wel ten behoeve van wie, op de startdatum van de peilperiode tenminste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft, dan wel is, ingediend bij de IND en na die aanvraag tenminste vijf jaar in Nederland heeft verbleven;
c. die zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden heeft onttrokken aan het toezicht van IND, DT&V, COA of de Vreemdelingenpolitie (in het kader van de meldplicht), of in het geval van alleenstaande minderjarige vreemdelingen, van voogdij-instelling NIDOS; én
d. die, voor zover van toepassing, vooraf schriftelijk heeft aangegeven dat hij zijn lopende procedures onvoorwaardelijk intrekt bij verblijfsverlening op grond van de regeling.
De IND verleent ingevolge voornoemd beleid ook een vergunning aan gezinsleden die deel uitmaken van het gezin van de vreemdeling aan wie een vergunning wordt verleend, tenzij de feitelijke gezinsband inmiddels is verbroken.
4.
Voor zover thans van belang heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat namens of door eisers nimmer een asielaanvraag is gedaan. Daarmee voldoen zij niet aan de voorwaarden van de overgangsregeling, zodat zij niet in aanmerking komen voor verblijf op grond van die regeling.
5.
Eisers hebben -voor zover hier van belang- aangevoerd dat zij al meer dan vijf jaar onafgebroken in Nederland wonen, dat zij géén asielaanvraag hebben gedaan, dat zij zich niet hebben onttrokken aan het toezicht nu hun dochters steeds trouw naar school zijn gegaan en daardoor steeds onder toezicht van de leerplichtambtenaar hebben gestaan, dat er in hun geval geen sprake is van criminele antecedenten, dat zij geen EU-burgers zijn en dat zij hun identiteit kunnen aantonen met documenten.
6.
Ter zitting heeft verweerder nadrukkelijk gewezen op het feit dat eisers nimmer enige verblijfsaanvraag (asiel of regulier) in Nederland hebben gedaan voordat zij een beroep deden op de overgangsregeling. Eisers hebben derhalve evident niet voldaan aan de voorwaarden van de overgangsregeling, aldus verweerder.
7.
De rechtbank overweegt als volgt.
Eisers voldoen niet aan voorwaarde b. van de hiervoor geciteerde overgangsregeling omdat zij, naar zij zelf ook aangeven, nimmer een asielaanvraag in Nederland hebben gedaan. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat eisers, voordat zij een beroep deden op de overgangsregeling, evenmin enige andere verblijfsaanvraag hebben gedaan in Nederland. Eisers hebben dus evenmin ooit enige reguliere verblijfsaanvraag in Nederland gedaan.
Gelet hierop en op de voorwaarden van de overgangsregeling heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag op goede gronden afgewezen.
Gezien het feit dat eisers eerder nimmer enige aanvraag hebben gedaan voor een verblijfsvergunning regulier, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van al hetgeen eisers in deze procedure naar voren hebben gebracht omtrent het door hen ongerechtvaardigd geachte onderscheid tussen kinderen met een asielachtergrond en kinderen met een reguliere achtergrond.
8.
Het beroep is dan ook ongegrond.
9.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, voorzitter, en mr. J.F.M.J. Bouwman en mr. P.H. Banda, leden, in aanwezigheid van
mr. J.T.M. Nijboer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2014.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Artikel 85 van Pro de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing.