ECLI:NL:RBDHA:2014:6469
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond wegens geen nieuwe gronden tegen ingangsdatum opheffing ongewenstverklaring
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie waarin het bezwaar van eiser tegen de ingangsdatum van de opheffing van de ongewenstverklaring ongegrond werd verklaard. Eerder was de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring ingewilligd met een inreisverbod van tien jaar.
De rechtbank beoordeelde eerst het verzoek van eiser om vrijstelling van betaling van het griffierecht. Gezien het feit dat eiser lijfsdwang had ondergaan wegens niet-betaling van een opgelegde ontnemingsmaatregel, oordeelde de rechtbank dat sprake was van bijzondere omstandigheden waardoor eiser niet in verzuim was en het beroep ontvankelijk kon worden verklaard.
Eiser voerde aan dat de ongewenstverklaring per 19 januari 2009 had moeten worden opgeheven op grond van de Terugkeerrichtlijn 2008/115/EG en het arrest Filev en Osmani van het Hof van Justitie. De rechtbank stelde vast dat dit betoog reeds in een eerdere aanvraagprocedure was behandeld en onherroepelijk was beslist. Omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd, werd het beroep ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter W.J.B. Cornelissen en griffier K.M.C. Zijlstra-van Middelkoop op 3 maart 2014. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit over de ingangsdatum van de opheffing van de ongewenstverklaring is ongegrond verklaard.