Uitspraak
VOORZIENINGENRECHTER VAN DE Rechtbank DEN Haag
uitspraak van 14 mei 2014 in de zaak tussen
[D],geboren op [datum] 2004 en
Rechtbank Den Haag
Verzoekers dienden op 6 maart 2014 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Verweerder wees deze aanvraag op 15 april 2014 af omdat Zwitserland verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublin III-verordening.
Verzoekers stelden dat verweerder de Zwitserse autoriteiten onvoldoende had geïnformeerd over de afhankelijkheidsrelatie tussen verzoeker en zijn zieke broer die in Nederland verblijft. Dit was een bindend criterium volgens artikel 16 van Pro Verordening 604/2013. Verweerder had het overnameverzoek ingediend zonder dit te vermelden, wat een onzorgvuldigheidsgebrek opleverde.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het beroep gegrond was omdat het besluit was gebaseerd op onvolledige informatie. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen omdat nader onderzoek niet bijdroeg aan de beoordeling. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van proceskosten van €974 en opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.