ECLI:NL:RBDHA:2014:4802
Rechtbank Den Haag
- Bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking exploitatievergunning horeca op grond van Wet Bibob
Eiseres, exploitant van een horeca-inrichting, kreeg op 8 april 2010 een exploitatievergunning verleend door verweerder, de burgemeester van Den Haag. Naar aanleiding van een advies van het Landelijk Bureau Bibob besloot verweerder de vergunning op 15 juli 2013 in te trekken wegens een ernstig gevaar dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen of voordelen uit strafbare feiten te benutten.
Eiseres diende bezwaar in en verzocht om een voorlopige voorziening, welke op 12 september 2013 werd afgewezen. Vervolgens stelde eiseres beroep in tegen het bestreden besluit. De rechtbank overwoog dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband tussen eiseres en een persoon die strafbare feiten heeft gepleegd, waardoor het ernstig gevaar aannemelijk is.
De rechtbank oordeelde dat het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften voldoende gemotiveerd is en dat verweerder zich ervan heeft vergewist dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen. De stelling dat de intrekking een punitief karakter heeft, werd verworpen omdat de Wet Bibob niet is gericht op bestraffing, maar op het voorkomen van faciliteiten voor strafbare feiten.
Gelet op deze overwegingen verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de exploitatievergunning op grond van de Wet Bibob is ongegrond verklaard.