ECLI:NL:RBDHA:2014:4197
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Verlening verblijfsrecht aan derdelander familielid op grond van verblijfsrichtlijn bij terugkeer Unieburger
Eiseres, een Oekraïense derdelander, verzocht om een verblijfsdocument op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat zij als familielid van een Nederlandse Unieburger rechtmatig verblijf wilde verkrijgen. Verweerder wees dit verzoek af omdat eiseres en de referent volgens hem niet ten minste drie maanden gezamenlijk in Duitsland hadden verbleven, een voorwaarde die hij afleidde uit de verblijfsrichtlijn.
De rechtbank stelde vast dat de verblijfsrichtlijn niet van toepassing is op verblijven in de lidstaat waarvan de Unieburger de nationaliteit bezit, maar dat het Hof van Justitie in de arresten Surinder Singh en Eind heeft bepaald dat bij terugkeer naar het land van nationaliteit het verblijfsrecht van derdelanders moet worden gerespecteerd om belemmering van het recht op vrij verkeer te voorkomen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder de verblijfsrichtlijn onjuist interpreteerde door een minimaal verblijf van drie maanden te eisen. Het feit dat eiseres korter dan drie maanden in Duitsland verbleef, stond niet aan haar verblijfsrecht in Nederland in de weg. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen het verblijfsdocument te verstrekken.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiseres. De uitspraak trad in de plaats van het vernietigde besluit en was bindend.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en eiseres krijgt het verblijfsdocument toegekend.