ECLI:NL:RBDHA:2014:4037
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Invoering Wet Uniformering Loonbegrip levert geen strijd op met eigendomsrecht
De zaak betreft een beroep tegen de uitspraak van de Belastingdienst waarbij het bezwaar van eiser tegen de afdracht van loonheffing over januari 2013 niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank oordeelt dat eiser wel een processueel belang had en dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk werd verklaard, waardoor het beroep gegrond is.
Eiser betoogt dat de invoering van de Wet Uniformering Loonbegrip (WUL) per 1 januari 2013 een onevenredige inbreuk vormt op zijn eigendomsrecht zoals beschermd door artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De rechtbank overweegt dat belastingheffing een regulering van eigendom is en dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij het bepalen van fiscale maatregelen.
De rechtbank stelt vast dat de WUL een uniforme grondslag voor loonheffing heeft ingevoerd en dat de wetgever tegelijkertijd maatregelen heeft genomen om de inkomenseffecten te neutraliseren. De door eiser ervaren achteruitgang in nettoloon is niet uitsluitend toe te rekenen aan de WUL en vormt geen individuele en buitensporige last. Daarom wordt het beroep op artikel 1 EP Pro verworpen en het bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten aan eiser en het terugbetalen van het griffierecht. De uitspraak is mondeling gedaan op 25 maart 2014 door rechter I. Obbink-Reijngoud.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wordt vernietigd en het bezwaar wordt uiteindelijk ongegrond verklaard.