Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 5 maart 2014 in de zaken tussen
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, verweerder
Exxon RAP.
ILT,alsmede
de stichting.
Procesverloop
Overwegingen
.Gelet daarop en nu Exxon RAP een aromatenfabriek is, waarin niet wordt geraffineerd, kan verweerder niet worden gevolgd in zijn stelling dat de BREF Raffinaderijen hier van toepassing is.
in zijn adviesbetrokken, omdat fornuis F-1051 vanwege de koppeling met andere fornuizen (F-1750 en F-4201) moet worden beschouwd als een fornuis met een vermogen van meer dan 50 MW dat onder de BREF LCP valt (artikel 29 van Pro de RIE). Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat de SO2-emissie jaarlijks met 130 ton omlaag kan, zoals de StAB heeft opgemerkt.
Beslissing
- verklaart het beroep van Exxon RAP niet-ontvankelijk;
- verklaart de beroepen van ILT en de stichting gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, zoals aangepast bij besluit van 17 oktober 2013, wat betreft voorschrift 7H voor zover daarin niet is opgenomen dat het onderzoek ter goedkeuring van het bevoegd gezag dient te worden overgelegd;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de maximumemissie per jaar van SO2 en de toegestane verhouding HJG/LJG;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het door ILT betaalde griffierecht van € 310,00 te vergoeden;
- draagt verweerder op het door de stichting betaalde griffierecht van € 310,00 te vergoeden;
- draagt verweerder op het door Exxon RAP betaalde griffierecht van € 210,00 te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van de stichting tot een bedrag van € 1.217,50;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van Exxon RAP tot een bedrag van € 1.217,50.