ECLI:NL:RBDHA:2014:2725
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank verklaart zich onbevoegd in verzoek tot teruggeleiding minderjarige internationale kinderontvoering
De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de vader tot onmiddellijke terugkeer van zijn minderjarige kind, dat door de moeder zonder toestemming naar Turkije was meegenomen. De vader had aangifte gedaan van onttrekking aan gezag en kinderontvoering en had zich tot de Nederlandse Centrale Autoriteit gewend.
De rechtbank overwoog dat het verzoek gebaseerd was op het Haagse Verdrag inzake internationale kinderontvoering, waarbij Nederland en Turkije verdragsluitende staten zijn. Het Verdrag beoogt snelle terugkeer van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht om de schadelijke gevolgen voor het kind te beperken.
De rechtbank stelde vast dat de moeder met het kind in Turkije verbleef en dat het verzoek tot teruggeleiding daarom door de rechter van Turkije moet worden behandeld, overeenkomstig artikel 12 lid 1 van Pro het Verdrag en de jurisprudentie van de Hoge Raad. De rechtbank verklaarde zich daarom onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek.
De beschikking werd uitgesproken door drie kinderrechters en griffier, en biedt de mogelijkheid tot hoger beroep binnen twee weken bij het Gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige.