ECLI:NL:RBDHA:2014:2314
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van vrijheidsontnemende maatregel in vreemdelingenbewaring op grond van Dublinverordening
De vreemdeling, met de Sierra Leoonse nationaliteit, is in bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege toepassing van de Dublinverordening. De maatregel is genomen omdat er een significant risico op onderduiken bestaat, onderbouwd met meerdere zware en lichte feiten zoals het gebruik van valse documenten en het ontbreken van een vaste verblijfplaats.
De vreemdeling stelde dat het overdrachtsbesluit niet tijdig was genomen en dat de maatregel onrechtmatig was. De rechtbank oordeelt dat het overdrachtsbesluit op 13 februari 2014, na intrekking van het asielverzoek, tijdig is genomen en dat artikel 28 van Pro de Verordening 604/2013 geen specifieke termijn voorschrijft voor het nemen van dit besluit.
Verder concludeert de rechtbank dat de bewaring proportioneel en noodzakelijk is, gezien het significant risico op onderduiken, waarbij verweerder terecht meerdere gronden heeft aangevoerd. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.