Eiseres had op 11 juni 2012 een WIA-uitkering aangevraagd, maar trok deze aanvraag op 18 juli 2012 in. Verweerder stelde dat hierdoor het besluit van 11 juli 2012, waarin een verlengde loondoorbetalingsperiode was vastgesteld vanwege de te late aanvraag, van rechtswege was komen te vervallen. Verweerder verklaarde vervolgens het bezwaar van eiseres tegen de intrekking niet-ontvankelijk.
De rechtbank oordeelde dat het bestuursrechtelijke stelsel van de Awb niet toestaat dat een besluit van rechtswege vervalt door het intrekken van een aanvraag. Dit strookt niet met het rechtszekerheidsbeginsel. De brief van 1 augustus 2013 van verweerder, waarin het besluit werd ingetrokken, is een besluit in de zin van de Awb waartegen bezwaar mogelijk is. Verweerder had het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank stelde vast dat het loondoorbetalingsbesluit van 11 juli 2012 nog niet de civielrechtelijke loondoorbetalingsplicht vaststelde. De intrekking van de WIA-aanvraag deed de grondslag van dit besluit vervallen, waardoor verweerder redelijkerwijs van het besluit kon terugkomen. Het bezwaar van eiseres tegen het intrekkingsbesluit werd daarom ongegrond verklaard.
De rechtbank vernietigde het besluit van 18 november 2013, verklaarde het bezwaar ongegrond, en bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiseres.