Eiser maakte bezwaar tegen de WOZ-waarden van vier woningen, vastgesteld door verweerder voor het kalenderjaar 2013. Na bezwaar heeft verweerder de waardes ambtshalve verminderd, zoals door eiser bepleit, en de aanslagen dienovereenkomstig aangepast. Het geschil betrof uitsluitend de hoogte van de proceskostenvergoeding voor rechtsbijstand in de beroepsfase, waarbij eiser een hogere wegingsfactor van 1,5 vorderde dan verweerder, die volstond met 1.
De rechtbank overwoog dat de uitspraak van de Hoge Raad van 12 april 2013 niet zonder meer toepasbaar is, omdat in deze zaak de proceskosten in bezwaar niet aan de orde waren. De rechtbank volgde de redenering van de Hoge Raad dat sprake is van één beroep bij meerdere besluiten vermeld op één biljet. Gezien de aard van de vier soortgelijke woningen, het gezamenlijke beroepschrift en de taxatie, kwalificeerde de zaak als gemiddeld van aard.
Daarom was een wegingsfactor van 1 passend en niet de door eiser gevorderde 1,5. De beroepen werden gegrond verklaard, de waardes en aanslagen aangepast, en verweerder werd opgedragen het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden. Een hogere proceskostenvergoeding dan reeds toegekend was niet gerechtvaardigd.