Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.De procedure
- het op 18 juli 2014 ingekomen verzoekschrift,
- de brief van de IND van 3 september 2014,
- de brief van de officier van justitie van 22 september 2014.
Rechtbank Den Haag
Verzoeker, geboren in 1967 in Suriname, vroeg de rechtbank vast te stellen dat hij vanaf zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit bezat en deze nooit had verloren. Hij stelde dat hij bij de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 met zijn moeder in Nederland woonde en dat hij zich pas als meerderjarige in 1987 in Suriname had gevestigd.
De IND en officier van justitie stelden dat verzoeker vanaf 1977 in Suriname woonde en daardoor op grond van artikel 6 lid 1 van Pro de Toescheidingsovereenkomst (TOS) de Surinaamse nationaliteit van zijn vader volgde, waardoor hij de Nederlandse nationaliteit verloor.
De rechtbank onderzocht of verzoeker zijn woonplaats tijdens minderjarigheid daadwerkelijk had verplaatst naar Suriname. Uit bewijsstukken, waaronder inschrijvingen in bevolkingsadministraties en paspoortstempels, bleek dat verzoeker met zijn moeder in 1977 naar Suriname vertrok en daar verbleef tot 1991. Dit leidde tot de conclusie dat verzoeker zich tijdens zijn minderjarigheid in Suriname heeft gevestigd en daardoor de Surinaamse nationaliteit verkreeg en de Nederlandse verloor.
De rechtbank wees het verzoek af en overwoog dat de situatie van de zus van verzoeker niet relevant was voor deze beslissing vanwege andere feiten en omstandigheden en een andere vader.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van behoud van de Nederlandse nationaliteit wordt afgewezen omdat verzoeker zich als minderjarige in Suriname heeft gevestigd en daardoor de Nederlandse nationaliteit verloor.