ECLI:NL:RBDHA:2014:16455
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot schorsing uitlevering aan Verenigde Staten wegens vrees voor schending EVRM afgewezen
Verzoeker, een Amerikaanse nationaliteit hebbende persoon, verzocht de voorzieningenrechter om een ordemaatregel te treffen die uitlevering aan de Verenigde Staten zou voorkomen totdat op zijn beroep in de asielprocedure was beslist. Hij vreesde schending van artikel 3 EVRM Pro vanwege mogelijke wraakacties van een gewelddadige groepering in een Amerikaanse gevangenis. De voorzieningenrechter overwoog dat de Uitleveringswet als bijzondere regeling prevaleert boven de Vreemdelingenwet 2000, waardoor de uitleveringsprocedure leidend is.
De voorzieningenrechter stelde vast dat de uitleveringsprocedure was afgerond en de uitlevering was toegestaan door de minister van Veiligheid en Justitie. Verzoeker had reeds een kort geding aangespannen tegen uitlevering, dat was afgewezen, en het daaropvolgende spoedappel ingetrokken. De rechter oordeelde dat verzoeker voldoende gelegenheid had gehad om zijn vrees voor schending van artikel 3 EVRM Pro binnen de uitleveringsprocedure aan te voeren.
Verzoeker stelde dat de uitleveringsprocedure onvoldoende ruimte bood om de specifieke dreiging van de gewelddadige groepering te toetsen, maar de voorzieningenrechter vond dat verzoeker dit in kort geding had kunnen aanvoeren. Omdat verzoeker deze mogelijkheid niet heeft benut, was er geen sprake van het ontbreken van een effectieve rechtsgang. Daarom werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen uitlevering aan de Verenigde Staten is niet-ontvankelijk verklaard.