Uitspraak
Rechtbank Den HAAG
Internationale kinderontvoering
Beschikking op het op 28 oktober 2014 ingekomen verzoek van:
[de vader],
[de moeder],
Procedure
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift;
Rechtbank Den Haag
De vader verzocht de rechtbank om zijn 13-jarige dochter terug te leiden naar Spanje, waar zij voorheen woonde, op grond van het Haags Kinderontvoeringsverdrag. De minderjarige woont sinds medio oktober 2014 in Nederland, zonder toestemming van de vader, die stelt dat de overbrenging ongeoorloofd is.
De rechtbank stelde vast dat de overbrenging naar Nederland inderdaad zonder toestemming van de vader heeft plaatsgevonden en derhalve ongeoorloofd is volgens het Verdrag. Echter, de minderjarige heeft zich duidelijk verzet tegen terugkeer naar Spanje en heeft een leeftijd en mate van rijpheid bereikt die rechtvaardigen dat met haar mening rekening wordt gehouden.
De minderjarige gaf aan het leven in Spanje onaangenaam te vinden, nauwelijks Spaans te spreken, en zich in Nederland beter te kunnen ontwikkelen op school en in haar sociale omgeving. De rechtbank concludeerde dat het belang van het kind bij het voortzetten van haar verblijf in Nederland zwaarder weegt dan het formele recht op teruggeleiding.
De rechtbank wees het verzoek tot teruggeleiding af en bepaalde dat beide partijen hun eigen proceskosten dragen. De vader verblijft zelf ook veelvuldig in Nederland, waardoor het contact met de dochter gewaarborgd kan blijven.
Uitkomst: Het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige naar Spanje wordt afgewezen vanwege haar verzet en het belang bij verblijf in Nederland.