ECLI:NL:RBDHA:2014:14906

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 december 2014
Publicatiedatum
8 december 2014
Zaaknummer
14 / 26168 - 14 / 26167
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vw 2000Art. 3:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging Dublin-overdrachtbesluit wegens motiveringsgebrek en nieuwe jurisprudentie

Eiser, een alleenstaande man, diende een asielaanvraag in die werd afgewezen met toepassing van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Italië verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van zijn aanvraag. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op het beroep was beslist.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het bestreden besluit ondeugdelijk was gemotiveerd omdat het geen rekening hield met de zienswijze van eiser over het arrest Tarakhel van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de toegenomen instroom en opvangcapaciteit van asielzoekers in Italië in 2014. Verweerder verwees weliswaar naar eerdere uitspraken, maar deze waren van voor het arrest Tarakhel en hielden geen rekening met de actuele situatie.

De voorzieningenrechter concludeerde dat een hernieuwde beoordeling door verweerder op basis van recente gegevens en het arrest Tarakhel tot een andere uitkomst kan leiden. Daarom werden de rechtsgevolgen van het besluit niet in stand gelaten, het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het bestreden Dublin-overdrachtbesluit wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek en het ontbreken van een beoordeling van het arrest Tarakhel.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummers: AWB 14/26168 (voorlopige voorziening) en 14/26167 (beroep)
V-nummer: [nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter voor vreemdelingenzaken van 4 december 2014 in de zaak tussen
[naam], eiser,
gemachtigde: mr. G.A.P. Avontuur,
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. L. van Es.

Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2014 (hierna: het bestreden besluit), genomen in de zogeheten algemene asielprocedure (AA-procedure), is de asielaanvraag van eiser afgewezen met toepassing van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000
(Vw 2000), omdat verweerder Italië verantwoordelijk acht voor de behandeling van de asielaanvraag.
Op 18 november 2014 heeft eiser tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten totdat op zijn beroep is beslist.
De behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 4 december 2014. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig Z. Hanina, tolk in de Arabische taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet na afloop van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.
2. Nader onderzoek kan redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Daarom zal de voorzieningenrechter ook uitspraak doen in het beroep.
3. Niet in geschil is dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd, omdat daarin niet is ingegaan op wat in de zienswijze door eiser is aangevoerd met betrekking tot de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland van 4 november 2014 (no. 29217/12), alsmede de toegenomen instroom van asielzoekers in Italië in 2014 en de opnamecapaciteit.
4. In geschil is of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand moeten blijven.
5. In de zaak Tarakhel heeft het EHRM niet alleen geoordeeld over kwetsbare groepen, maar ook over de problematische opvangsituatie voor asielzoekers in het algemeen. Daarbij is rekening gehouden met de instroom van asielzoekers in Italië in de periode tot en met 2013. Deze instroomcijfers zijn substantieel lager dan die van het eerste halfjaar van 2014.
6. Verweerder heeft ter zitting alsnog gereageerd op de stellingen van eiser, onder meer door verwijzing naar een viertal uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen ’s-Hertogenbosch (twee), Rotterdam en Utrecht, alsmede naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze rechtspraak dateert van ruim voor het arrest Tarakhel en ziet niet op de relevante rechtsoverwegingen in dat arrest. In zoverre is een nieuwe situatie ontstaan.
7. Niet kan worden uitgesloten dat een hernieuwde beoordeling door verweerder, op basis van recente cijfers over instroom van asielzoekers in Italië en de opvangcapaciteit, in het licht van het arrest Tarakhel, moet leiden tot een andere uitkomst dan tot afwijzing van de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van Vw 2000.
8. De voorzieningenrechter ziet daarom geen reden om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.
9. Het beroep is gegrond en de voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit omdat het in strijd is met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
10. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op basis van drie punten vastgesteld op € 1.461.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.461 (veertienhonderdeenenzestig euro), te betalen aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier, op 4 december 2014.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.