ECLI:NL:RBDHA:2014:12755
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs poging doodslag na schop tegen hoofd slachtoffer
Op 3 mei 2014 werd verdachte verdacht van poging tot doodslag en subsidiair poging tot zware mishandeling door het geven van een harde schop tegen het hoofd van het slachtoffer terwijl deze op de grond lag. De officier van justitie stelde dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat het slachtoffer zou overlijden en eiste twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan vier voorwaardelijk.
De verdediging voerde aan dat onvoldoende bewijs bestond dat verdachte de schop had gegeven en dat er geen opzet was op levensberoving. De rechtbank nam verklaringen van verbalisanten en getuigen in overweging, evenals camerabeelden. Hoewel vaststond dat het slachtoffer een harde schop tegen het hoofd kreeg, was niet overtuigend vastgesteld dat verdachte deze schop had uitgedeeld.
De verklaringen van verbalisanten wezen op een schop met een donkere schoen, terwijl verdachte blauwe schoenen met een witte zool droeg. Getuigen spraken over een jongen met lichte broek, maar hun verklaringen sloten niet aan bij de waarnemingen van de verbalisanten. Camerabeelden bevestigden niet dat verdachte schopte. Verdachte ontkende en herinnerde zich de gebeurtenissen niet volledig.
Gelet op het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs sprak de rechtbank verdachte vrij van zowel de primair als subsidiair tenlastegelegde feiten. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Den Haag op 20 oktober 2014.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat hij het slachtoffer tegen het hoofd heeft geschopt.